Een leven vol muziek

Jan Hekhuis Wz

Inhoud

Prelude

Terugblikkend op de meer dan zeventig jaar van mijn leven treft het mij dat mijn leven zo rustig is verlopen. Hoogte- en dieptepunten zijn er natuurlijk geweest maar nooit zo dat ze mijn leven merkbaar hebben beinvloed, tenminst zo ervaar ik dat. Maar toch is b.v. de verhuizing van Vlissingen naar Vrouwenpolder niet van invloed geweest op mijn verdere levensloop? Ik vraag me wel eens af hoe zou mijn leven zijn als we in Vlissingen waren blijven wonen. Misschien zijn juist zulke onbelangrijke gebeurtenissen toch van invloed op je latere leven. Gebeurtenissen waar je zelf geen invloed op hebt kunnen soms later blijken wel degelijk van invloed te zijn geweest. Maakt dit juist het leven niet interessant? Interessant en boeiend is het leven zeker. Dat je er bent, je werk met plezier mag doende mensen om je heen, je gezin, vrienden, leerlingen, koorleden. Allemaal mensen met hun eigen grote of kleine zorgen, vreugde en verdriet.

Allereerst is daar het gezin, het gezin waarin je opgroeide, later je eigen gezin, vrouw, kinderen later kleinkinderen. Allemaal mensen waarmee je ten diepste verbonden bent. Alle vreugden en verdrietigheden deel je samen.

Wat is er veel te beleven in ons leventje. Hoe boeiend zijn de dingen van elke dag, het leven is één grote verwondering.

Ik wil nu terug zien in dankbaarheid en verwondering. Dankbaarheid voor mijn lange gelukkige leven, voor alle liefde en vriendschap. Verwondering voor het elke morgen weer ontwaken, de natuur in alle schakeringen van de jaargetijden.

Herinneringen zijn er veel. Sommige vervaagd, andere hebben diep wortel geschoten. Terug blikkend naar het verleden kom je tot de ontdekking dat je een lange weg hebt afgelegd, de weg naar de toekomst wordt steeds korter.

Men zegt wel eens "oude mensen gaan leven in het verleden, dat zal zo wel zijn, maar wat mij betreft kijk ik toch ook nog naar de toekomst al komt het eindstation steeds dichter bij.

De eindstreep van dit preludium wordt nu gezet, ik ga terug naar het verleden om toch weer in het heden terug te komen.

Grootouders

Opa Jan Hekhuis was evenals zijn vrouw, Hendrika Eshuis, afkomstig uit Overijsel. Opa was machinepoetser bij de Nederlandse Spoorwegen. Na verschillende overplaatsingen o.a. Lage Zwaluwe en Roosendaal kwam hij in Vlissingen terecht. Opa was een lange magere man met een flink uit de kluiten gewassen neus, opoe een kort dikkertje, beide vrolijke gezellige mensen. Ondanks het feit dat opa al op jonge leeftijd blind is geworden bleef hij zijn opgewekte karakter en gevoel voor humor behouden. Opa rookte uit grote Duitse pijpen (waarvan ik er nog een in mijn bezit heb). Al lurkend aan zijn pijp kon hij de smakelijkste verhalen vertellen. Hij vertelde het zo dat je haast geloofde dat het echt gebeurd was. Werd het al te erg zei opoe: "Jan, Jan, wat zit je toch weer te liegen". Peinzend trekkend aan zijn pijp zei hij "Jongens ik was vroeger een knappe vent maar dat ik zo'n lange neus heb heeft Rika nooit gezien anders had ze me niet moeten hebben", waarop opoe "Jan, Jan, wat zit je weer te kletsen."

De ouders van moeder waren rasechte Zeeuwen. Opoe Blaas, Suzan Broerse was afkomstig van Serooskerke. Hoewel van geringe komaf ging er iets aristocratisch van haar uit. Het was een zeer beschaafde en begaafde vrouw. Las veel en dacht over de dingen na had ook een helder oordeel over verschillende dingen. Ze was zoals heel haar familie erg muzikaal. Hadden we op school een liedje geleerd zong ik het voor en zette ze het op noten (do, re, mi) zodat ik de melodie op het orgel kon spelen. Er straalde een grote innerlijk rust van haar uit hoewel ze het in haar leven niet altijd gemakkelijk heeft gehad. Ik zie ze nog zitten schemeren, voor het raam in haar opoestoel. Rustig zat ze daar te meimeren en te filosoferen. Ik zat dan stilletjes bij haar en durfde de stilte niet te verbreken.

Opa was een heel ander figuur, een drifkikker werkte als tuinman op Molenbaix bij Grijpskerke. Toen de jonker zich een keer teveel met zijn werk bemoeide zinde hem dit niet en zei: "als je niet opsodemietert sla ik je met de spa op je smoel." Einde tuinmanschap. Hij kreeg toen een baantje als stoker op de gasfabriek in Vlissingen. Pas later heb ik me gerealiseerd wat dat voor hem geweest moet zijn. Altijd in de vrije natuur en nu opgesloten op een stookplaat.

Hadden wij vrij van school ging opa als hij toevallig ook vrij was met ons fietsen en leerde ons onderwijl het verschil tussen een koe en een stier. "Dat heb je van stadsjongen, weten niets van de natuur" was zijn kommentaar.

Ik herinner me nog dat we een keer op zo'n fietstocht onze meegenomen boterhammen opaten aan de dijk bij de Brummelhof, niet vermoedend dat Vrouwenpolder nog eens onze woonplaats zou zijn.

Vlissingse jaren (1922-1934)

Er zijn verschillende dingen in een mensenleven waar je wel bij bent maar geen weet van hebt zoals je geboortedoop en later je begrafenis. Zo moet ik wat mijn geboorte betreft afgaan op de gegevens van mijn ouders en daar dit zeer betrouwbare mensen waren neem ik aan dat ik 6 februari 1922 het levenslicht aanschouwde. De geboorte vond plaats in het huis van mijn grootouders, de ouders van mijn moeder. Zij bewoonden een klein boerderijtje aan de Kapoentjesweg. Vader en moeder waren daar in huis omdat mijn grootmoeder ziek was en moeder haar verzorgde. Ik kreeg de naam Jan, kort en krachtig, de naam van opa Hekhuis, zoals Lein die anderhalf jaar later werd geboren de naam kreeg van opa Blaas, Lein, dat was naar de gewoonte van die tijd. Toen opoe beter was gingen we terug naar ons eigen huis in de Kolvenierstraat. Vader was bakkersknecht bij Paul in de st.Jacobsstraat. Harde werker, je kon geen betere knecht hebben. Vader nam het leven als een grap, wimpelde alle moeilijkheden af tot ze onontkoombaar waren, dan was het moeder die de kastanjes uit het vuur moest halen. Moeder was eveneens een hardwerkende, ijverige vrouw evenals haar moeder intelligent en zeer belezen, maar had de driftjes van haar vader. Ze was een persoonlijkheid, nam het leven serieus, dacht over de dingen na. Onze ouders waren vrolijke opgewekte mensen met een optimistische kijk op het leven.

Voor haar huwelijk had moeder in een fruitzaak gewerkt bij Maas op het Kleine Marktje, Rooms-Katholieke mensen waar moeder altijd met veel waardering over sprak.

Moeder was de oudste in het gezin Blaas. Verder had je nog tante Zoet, ome Lein, ome Kees en ome Piet. Ome Lein heb ik nooit gekend hij was bij de marine en kwam op jonge leeftijd bij een ketel-ontploffing om het leven. Sinds die tijd droeg opoe altijd halve rouw.

Vader was op een na de jongste uit een nest van zes. Tante Dina, oom Hendrik, ome Janis en tante Geert. Ook oom Hendrik heb ik nooit gekend, vroeg gestorven. Hij was stoker op een schip, het was een dobbelaar. Soms verdobbelde hij heel zijn gage en een keer maakte hij het zo bont dat hij zijn kleren verdobbelde. Hij had niets meer dan zijn onderbroek zodat opoe met een stel kleren naar boord moest. Ze hielden allemaal van een biertje en een borrel, behalve vader die was al dronken als hij het zag staan. Volgens moeder was het bij de Hekhuisen een vrolijke maar ongebonden boel.


Onze eerste levensjaren brachten we dus door in de Kolvenierstraat. Veel kan ik me daar niet meer van herinneren, wel de buurvrouw naast en boven ons. Naast ons woonde bure Buisman, boven ons bure Joziasse. Of het weduw vrouwen waren of vrijgezellen weet ik niet wel dat ik er nooit een man of kinderen gezien heb. Geregeld kwamen ze bij moeder een kopje koffie drinken. Bij bure Joziasse mocht ik een paar keer in de week komen spelen. Toen Lein wat ouder was mocht hij ook maar eens komen dat was toch ook zo'n lief ventje. Eenmaal boven gekomen keek hij eens om zich heen zag een petroleumstel, pakte het beet en keerde het om. Bel, bel wat een kind hij was gauw weer terug bij zijn moeder en mocht niet meer naar boven. Lein was evenals zijn grootvader Blaas een driftkikkertje, ik was meer een dromer, Lein speelde dan ook al gauw de baas over me.


Toen wij wat groter werden wilde onze moeder die een zeer aktieve vrouw was wel eens wat anders dan enkel het huishouden. Geholpen door haar vroegere werkgever Maas begon ze een groente en fruitwinkel. We verhuisden hiervoor naar Scheldestraat 32. Daar dit huis toch te klein bleek verhuisden we na enkele jaren naar Scheldestraat 6. Een heerlijk groot huis, voor de winkel, daarachter een grote kamer met keuken, boven vier slaapkamers en dan nog een grote zolder waar een kamer voor Lein en ik gemaakt werd. Daar de zaak goed liep en moeder het te druk kreeg kwam er hulp in de huishouding, Mien Davidse, een wees, ze kwam intern. Later kwam er nog een meisje bij, Nel, hoe ze verder heette weet ik niet meer. Een aardig meisje maar niet zo schoon. De eerste dag dat ze bij ons was heeft moeder eens flink haar nek gewassen. Ze leerde van moeder wat orde en netheid was.

De winkels waren toen open van 's morgens acht tot 's avonds acht uur. Er bleef dus weinig tijd over voor ons. We hebben dat echter nooit als een gemis ervaren, je wist niet beter. Overdag naar school en daarna vermaakten we ons wel op straat of bij slecht weer op zolder. Geloof maar dat moeder ons wel in de gaten hield en had je iets gedaan dat niet deugde werd je wel de wacht aangezegd. Moeder was streng maar rechtvaardig. Vader vond het wel goed. Lagen we 's avonds op bed en maakten we ruzie kwam eerst vader naar boven, zei dat we stil moesten zijn en geen ruzie maken en verdween weer. Vader had z'n hielen nog niet gelicht of we gingen weer door. Maar dan hoorden we moeder de trap op komen, "gauw slapen, daar komt moeder", we deden of we in diepe rust waren maar geen pardon, de dekens gingen weg en daar ging het, "klis klas klander van de ene bil op de ander". Moeder sloeg nooit veel maar als ze sloeg deed ze het wel zo dat je het voelde. Ondanks de drukke werkzaamheden kon iedereen zomaar binnen komen vallen, er was altijd wel een kop koffie en een goed woord. Vreemde figuren kwamen er over de vloer, tenminste dat vonden wij. Daar was Karel de Boer een oude circusclown, hij collecteerde voor een of andere roomse instelling en op zijn ronde kwam hij altijd bij Lena een kopje koffie halen. Was het druk in de winkel schonk moeder zijn koffie in en ging verder met klanten helpen. Klein dik mannetje, een bril met ontzaggelijke dikke glazen, hij liep altijd op fluwelen pantoffels. Was moeder er niet hield hij hele gesprekken met Mien. Dan was er nog Piet Barentse, een jeugdvriend van vader. Een bultenaar, hopeloos verliefd op Mien. Iedere zondag kwam hij uit de kerk met vader mee en zond bij tijd en wijle vurige verliefde blikken op Mien die jammer voor hem nooit beantwoord werden. Nel Kaat, een vriendin van Mien. Ze was een overspannen hysterisch vrouwspersoon, die op de meest onverwachte ogenblikken kon uitbarsten in en hysterische huilbui, ze vond niets meer aan het leven en ging er een eind aan maken, dit gebeurde echter nooit. Op een zondag avond was het weer zover luid huilend en zeggend dat het nu echt genoeg was geweest rende ze het huis uit, vader er achter aan. Nou dat heeft ie geweten. Ze liep over Souburg naar Ritthem en terug naar huis. Afgekoeld. Hoewel we het allemaal wel erg spannend vonden waren we toch niet erg onder de indruk, er werd ook thuis niet meer over gesproken.


Onze ouders hadden een enorm plichtsbesef. Moeder was de spil waar alles omdraaide. Ze wist een sfeer te creëren waarin je je veilig voelde.

Na een paar jaar kleuterschool bij juffrouw de Jong in de Glacisstraat kwam de tijd om naar de grote school te gaan, basisschool hadden we nog nooit van gehoord. De grote school dus, dit werd de Oranjeschool aan de Bloemenlaan. P.A. Belger was daar het hoofd. Neef Jan een zoon van Ome Jan en tante Pie zat in dezelfde klas dan ik. Daar er bij een beurt nogal eens verwarring onstond besloten de onderwijzers de naam van de vaders toe te voegen. Zo ging neef Jan als Jan Jan en ik als Jan Willem door het schoolleven. Op school werd veel gezongen, we hadden nog het wekelijkse zanguurtje. Dhr Belger was een zeer muzikaal man, die vanaf de vierde klas met ons kwam zingen, in de zesde klas waren we zover dat we driestemmig zongen. Van het kinderkoor waar we heengingen en onder leiding stond van dhr Bommeljé kan ik me gek genoeg weinig herinneren. Ook waren we op de "gymnastiek" een onder afdeling van een vereniging met de wijdse naam C.K.W.O. afkorting van Christelijke Kunst Wetenschap en Ontwikkeling. De gymnastieklessen waren aan mij niet besteed. De zondagschool werd ook trouw bezocht deze werd geleid door juffrouw Terword, bijgestaan door Klaartje van Damme.


Auto's waren er in die tijd bijna niet, zodat de straat een heerlijke speelplaats was. Bij slecht weer speelden we op zolder. Daar lagen o.a. grote zakken ongebrande pinda's. Vader brandde die bij zijn baas in de oven en verkocht in de winkel vers gebrande pinda's. Op een keer toen we ons wat verveelden kwamen we op het onzalig idee pindas door het zolderraam naar buiten te gooien. Moeder stond in de winkel en zag de mensen wat van straat oprapen en naar buiten kijken. Ze keek nog eens goed en jawel hoor de ongebrande pindas vlogen langs de winkelruit. Het was gauw gedaan met de pret. Modder in de goot dat kon niet, we zouden die goot wel eens even schoonmaken. Maar waar met de modder naar toe. Op zolder kon niet, dan maar op straat. We pakten de modder uit de goot en kwakte ze op straat. Ongelukkig genoeg kwam er een grote kwak blubber op de hoed van mevr Lohmeiyer terecht. Toen was Leiden in last. Als ik er aan denk voel ik mijn billen nog. Neef Jan kwam er beter van af, die werd naar huis gestuurd.


In onze en zijn vrije tijd ontfermde opa Blaas zich over ons en ging met ons fietsen (Hierover schreef ik reeds iets.) Zo gingen we naar "Torenvlied" een buitenplaats net buiten Middelburg. Oom Evert een broer van opa was hier tuinman. Ze woonden op de buitenplaats in een gezellig oud boerenhuis. Tante Zoetje was de vrouw van oom Evert. Was de jonker niet thuis (jonker Schorer) mochten we in het bos rond het herenhuis spelen. Zo ook in Serooskerke waar oom Piet Dekker tuinman was bij de familie tak op "Vrederust". De vrouw van oom Piet, tante Kee was een zuster van opa. Was het bramentijd kwamen we altijd met een emmer heerlijke bramen thuis.


Tante Leine ook een zuster van opa woonde met haar man Piet de Klerk aan de weg tussen Middelburg en Grijpskerke. Behalve wat land hadden ze ook een herberg "Het Wafeltje". Zo'n echt oud boeren herbergje. Tante Leine was een forse boere vrouw met een stem als een dragonder, zou ze in een koor gezongen hebben was ze vast bas. Op een keer toen Riek met haar nichtje Koos Kamermans aan het fietsen waren gingen ze ook eens aan bij tante Leine. Toen Riek vroeg of ze even naar de w.c. mocht vroeg tante Leine, "wat dragen jullie een onderbroek of een snel pissertje", met dit laatste bedoelde ze een slipje die toen pas in de mode waren. Oom Piet was een zeer laconiek man. Toen er een keer brand brak in de keuken van zijn huis terwijl hij op het land aan werk was keek hij eens op, zag rook uit zijn huis komen en stapte bedaard als was het een zondagswandelingetje op huis aan. "Opschieten de Klerk" riep een voorbijganger, je keuken staat in brand." "Het zal toch wel branden al ben ik er niet bij" was het laconieke antwoord.


Op een middag thuis komend uit school was het niet moeder maar tante Pie die door het huis liep. Op onze vraag waar moeder was kregen we te antwoord dat moeder te veel peren had gegeten, verschrikkelijk buikpijn had en nu op bed lag. Tjonge dat was wat, moeder die nooit ziek was en nu op bed lag. Voor we naar bed gingen mochten we nog even naar haar toe we zagen wel dat ze aardig wat pijn had. "Ga maar lekker slapen jongens, morgen ben ik wel beter". Zoals gewoonlijk sliepen we als rozen, het kwam wel goed met moeder. 's Morgens vroeg kwam vader ons wekken "Jongens je hebben een zusje, vannacht is ze geboren. Dat was wat, we renden naar beneden en keken een beetje beduusd naar dat kleine roze hoopje vlees, nee er mee spelen zou voorlopig nog niet gaan. Blij dat we waren we namen ons voor goed voor ons zusje te zorgen. Ze kreeg de naam van opoe Hekhuis "Hendrika", Riek werd de roepnaam. 22 september 1932 een blijde dag!


We zaten nu midden in de crisis jaren. Overal vielen ontslagen. Oom Jan de Nooier en oom Piet Blaas die beiden op de "Schelde" werkten werden ook ontslagen. Je zag veel mannen doelloos door de stad lopen. Ook vader werd ontslagen. Bakker Paul de baas van vader had een zoon die als kok werkzaam was. Deze werd ook ontslagen en natuurlijk nam Paul toen zijn zoon in de zaak. Dat was wat het vaste weekloon ontbrak en ook de verkoop in de winkel liep terug. Daar kwam nog bij dat er veel mensen op de pof kochten. Iedereen had het arm. Vader die niet stil kon zitten schafte zich paard en wagen aan en ging met groente en fruit langs de deur. Het paard heette Max en lui dat dat beest was. Vader trok paard en kar. Ging opa Blaas mee wilde dat beest wel lopen, dan had ie z'n baas gevonden.

Als jongens hadden we niet veel last van de crisis jaren, we gingen naar school, speelden op straat en hadden genoeg te eten. Dat moeder soms hele avonden kleren zat te verstellen om ons maar mogelijk voor de dag te laten komen hadden we geen weet. Hoe groot de zorgen soms waren onze ouders lieten er niets van merken. Het was en bleef een gezellige boel.


In de weken voor sinterklaas speelde vader altijd voor de goedheilig man in de zaak van zijn baas. Een kamer achter de winkel werd ingericht met allerlei lekkere dingen, speeculaas, marsepein, en wat al niet meer. Natuurlijk moesten we met moeder een keer naar sinterklaas en wat die man niet allemaal van ons wist, je kon er met je verstand niet bij. De kleinste ondeugendheden die we hadden uitgehaald wist hij. Toen vader ontslagen was zette hij de traditie voort in onze eigen winkel. De achterkamer werd ingeruimd voor sinterklaas. Maar we werden wat groter en als vader 's middags uit de bijbel las zeiden we weleens tegen elkaar "af en toe is het net de stem van sinterklaas." Toen onze ouders het welletjes vonden met ons geloof in sinterklaas deed vader een keer zijn baard af om koffie te drinken en liet ons binnenkomen. Nou erg verwonderd waren we niet, we dachten het al een poos.

Met nieuwjaar ging vader altijd zijn baas en zijn vrouw nieuwjaar wensen. Mevrouw Paul was een grote struise blonde dame. Wij moesten dan van vader mee. Mevrouw Paul had dan altijd de gewoonte ons lekker vast te pakken en te zoenen. Lein had daar een verschrikkelijke hekel aan en probeerde altijd er onderuit te komen door weg te rennen. Maar dat ging niet door. Ze ging er aan en hij werd dubbel gezoend. Ondanks zijn protesten ging hij toch altijd weer mee want de snoepjes die we daar kregen waren toch wel erg lekker.


De crisisjaren deden zich wel gelden. Veel mensen zonder werk, de armoede sloeg toe. De regering had, hoewel we een rijk land waren geen geld voor ondersteuning. Er werd een nationaal crisiscomité opgericht om de nood zoveel mogelijk te leningen. 1936 werd dit opgeheven. De toenmalige minister van sociale zaken, mr Romme deed via pers en radio een oproep aan de bevolking geld te storten voor een kleding-, schoeisel- en dekkingsfonds. De overheid had volgens de minister geen geld om deze steun te verlenen. Daar veel mensen zo weinig mogelijk kochten en daarbij vaak nog op de pof ging het met de zaak ook slecht. Vader miste bovendien de werkzaamheden in de bakkerij, het was een uitstekend bakker en goede knecht maar geen zaken man. Een oom van moeder Piet Broerse sr., huisschilder in Serooskerke kwam met het idee een bakkerij te beginnen in Vrouwenpolder. Dit was een badplaats in opkomst en de crisis zou toch niet altijd duren. Na veel wikken en wegen besloten onze ouders de stap te wagen. Zijn twee broers die er wat beter voor zaten, ome Jan en ome Gerrit, zegden hem financieële steun toe.

Vader ging op onderzoek uit in Vrouwenpolder en kon een paar huisjes kopen van aannemer Willemse. Toen vader bij de notaris kwam om de boel te laten beschrijven bleek echter dat Willemse niets te verkopen had. Hij was failliet verklaard. De huizen werden openbaar verkocht. Vol spanning ging vader naar de openbare verkoping die plaats vond in café Duvekot. Vader was de enige die bood zodat hij eigenaar werd van de huizen. Toen begon de verbouwing. Het huis aan de Steneweg, nu Schoolstraat werd tot bakkerij verbouwd (nu kapsalon) het huis aan de Dorpsstraat, nu Dorpsdijk werd winkel (nu boetiek).


Ik merk echter dat ik op de feiten vooruitloop. Terug naar Vlissingen dus. Vader en moeder kwamen allebei uit een goed hervormd gezin. De Hekhuizen bleven hervormd, misschien ook wel doordat ze met hervormde vrouwen trouwden. Ook de familie Blaas was hervormd. Moeder was echter de enige Blaas die hervormd bleef. Tante Zoet trouwde met ome Jo en werd gereformeerd, ome Piet trouwde tante Maatje en werd Luthers en ome Kees, getrouwd met tante Christien werd Rooms-katholiek. Wat kerken betreft een zeer gemengd gezelschap dus. De familie van moeder was een zeer rustige familie, geen praters maar lezers. Ik herinner me nog Piet een keer op bezoek was, Lein kwam thuis, hoorde niet praten en dacht dat moeder en ome Piet ruzie hadden. Voorzichtig opende hij de deur op het ergste voorbereid maar toen hij binnenkwam zaten ze te lezen. Vader sliep. Vader viel altijd al lezende in slaap, ik geloof dat hij nooit verder gekomen is dan de eerste bladzij van een boek.

De Hekhuizen waren heel wat luiddruchtiger, praters en leve de lol. Ze hielden van een flink glas bier en een stevige borrel. Vader niet die kon er niet tegen. Toen ome Gerrit eens bij ons logeerde ging hij met Piet Polderman mee die toen met de beer boeren op Walcheren opzocht om de varkens van nakomelingen te voorzien. Toen ze terug waren zei Piet tegen vader "Die broer van jou, kan er wat van bij ieder cafeetje moesten we stoppen om wat te gebruiken en daar Piet er nu ook niet bepaald vies van was, hadden ze menig café aangedaan. Maar denk niet dat je aan ome Gerrit iets merkte.

Ome Janis en tante Pie woonden op het z.g. "oude station" net buiten de stad. Als daar iemand jarig was nou dan was het groot feest. Eten en drinken. Wij als jongens vonden dat prachtig. 's Middags speelden we achter het station daar liep een smal pad met bomen en struiken je kon daar prachtig rovertje spelen. 's Avonds waren er soms van die geheimzinnige dingen. Wat ging Jan de oudste zoon van Oom Janis in de kelder doen met zijn tante, een vrijgezel die bijna net zo oud was als Jan. Vrijen zeiden de oudere jongens die meer wisten dan wij en lieten hun fantasie de vrije loop.

Een broer van tante Pie en zijn zwager hadden een kwaaie dronk aan het eind van de avond kregen ze dan ruzie, prachtig vonden we dat, ook wel een beetje griezelig. Jammer dat vader en moeder het dan tijd vonden om op te stappen. "Gelukkig zijn het geen Hekhuizen" zei vader weleens. Geen familie van ons."


Tussen zwart en wit, de eerste stappen

Ongeveer zes jaar zal ik geweest zijn toen onze ouders een harmonium kochten. Moeder ging spelen op het z.g. "cijferschrift". Maar ik zou orgelles krijgen, moeder wilde dat ik het goed zou leren. Mijn eerste orgelleraar was Jan Kwist, organist van de nieuwe kerk in Vlissingen (later vertrokken naar Amerika). Broer Lein mocht het ook leren, gelijke monnikengelijke kappen, dacht moeder, maar het kapje paste Lein slecht en voor het ging knellen gaf ie de pijp aan Maarten.

Elke week een uur les en dat voor ƒ3.- per maand. De vorderingen die ik maakte waren goed, ik had er ook plezier in, hoewel het is me een keer overkomen dat ik al na tien minuten weggestuurd werd omdat ik mijn les niet kende, "Als je volgende week je les kent mag je terug komen" Vreselijk vond ik dat, het huilen stond me nader dan het lachen. Geloof maar dat ik de andere week mijn les kende, zoiets zou me niet meer overkomen om weggestuurd te worden. Na enige tijd speelde ik versjes en mocht zo nu en dan de organiste op de zondagschool vervangen. Niet altijd ging dit van een leien dakje. Er werd een lied gezongen, ik weet niet meer welk. Na het zingen van het lied moest de organiste weg. Juffrouw Terwoerd vond dat het nog niet zo goed ging dus moesten we het nog een keer zingen. "Zou Jan willen spelen?" Nu dat wilde Jan wel. Prachtig ging het tot ik ineens midden in het lied zag dat het in twee kruizen stond. De organiste had het in vijf mollen gespeeld en met die toonaard in mijn gehoor was ik ook in vijf mollen begonnen. Ineens zag ik dat het in twee kruizen stond, raakte in de war en kon niet verder. Dan maar opnieuw begonnen en nu in twee kruizen. Later wist ik dat er niets aan was een stuk dat in twee kruizen stond in vijf mollen te spelen. Al doende leert men.

Waar ik een verschrikkelijk hekel aan had dat ik altijd moest spelen als er visitie was. De mensen dachten zeker dat ze me er een plezier mee deden. "Jan we hebben gehoord dat je zo mooi orgel kunt spelen, wil je iets voor ons spelen." Nou Jan wilde niet brutaal zijn dus voor zijn fatsoen nam hij op de orgelbank plaats,maar de pest dat ik er in had. Bovendien was ik in die tijd erg verlegen.

Iedere zondag gingen we naar de Jacobskerk waar Bernhard ten Cate toen organist was. Prachtig dat grote kerkorgel af en toe was het net of het orgel zong. Zo te kunnen spelen dacht ik dan dat leer ik nooit zo. Van de preek begreep ik natuurlijk niet veel, ik telde de ruitjes van de ramen of de orgelpijpen. Het mooiste van de preek was het woord "Amen" dan gingen we weer zingen en speelde de organist een lang voorspel. Prachtig vond ik dat. Met des te meer ijver ging ik dan studeren en waande me achter het harmonium soms achter een echt kerkorgel. Organist zijn in een kerk dat was mooi, ik ben het geworden, met vallen en opstaan.

Vrouwenpolder 1934-?

December 1934 was het zover. We verhuisden naar Vrouwenpolder, toen nog Vrouwepolder. Bakkerij en winkel waren klaar, alleen we hadden nog geen huis. Er werden een paar kamers gehuurd bij Jos en Betsie But. Jos was kunstschilder, dus armoe troef. Met financiële hulp van zijn vriend dr Kieviet uit Borsele had Jos het oude meestershuis kunnen kopen en was daar een pension begonnen. Vandaar de naam Pension "Kieviet". We konden de kamers tot Mei huren want dan kwamen de pension gasten. Het was dus zaak uit te kijken naar andere woonruimte. Intussen hadden we in pension Kieviet een prettige tijd. Jos en Betsie waren gezellige mensen. Er was ook nog een dochter, Magda, enkele jaren jonger dan Lein en ik. Jos speelde piano en ik mocht ook van zijn instrument gebruik maken. Daar Jos merkte dat ik nogal belangstelling had voor schilderijen vertelde hij mij een heleboel over beeldende kunst. Ik leerde namen als Vincent van Gogh, Permeke, Gauguin, enz. "Als je met mij meegaat maak ik een kunstschilder van je" zei hij eens, maar mijn belangstelling ging meer uit naar muziek. Betsie was evenals moeder een vrouw die de touwtjes in handen hield, dat was wel nodig want Jos zou zijn schilderijen weggeven. Later bij een bezoek dat ik ze bracht in St. Anna ter Muiden waar ze toen woonden kreeg ik een schilderijtje van hem. "Leg het gauw in je auto dat Betsie het niet ziet."


Voorjaar 1935 verhuisden we naar de z.g. "Zevenster" een paar huisjes in de "Steneweg", nu Schoolstraat. Vader had die gekocht. Wat een verschil met Vlissingen, daar een groot ruim huis, hier een kamertje met een uitgebroken bedstee als keukentje. Vader en moeder sliepen op zolder, wij op de zolder van het andere huisje. Beneden was een slaapkamertje voor Riek en tanta San gemaakt. Tante San was een nicht van opoe Blaas, Na het overlijden van haar vader die hoofdonderwijzer was in Rithem kwam ze bij ons in huis. Ze had een broer die onderwijzer was in de Alblasserdam, maar die moest ze niet. Daar dit ook weer wat geld in het laadje bracht besloten onze ouders haar bij ons in huis te nemen. Het was een kort dik vrouwtje, platte neus en waarschijnlijk ook platte hersens als je het zo noemen mag. Ze had dus weinig verstand. Ook het lopen ging moeilijk, ze zat dan ook meestal op haar stoel een beetje te suffen. Enkele jaren is ze bij ons geweest. Haar laatste levensjaren sleet ze in "Overduin" een herenhuis bij Oostkapelle wat ingericht was als rusthuis voor minder valide ouderen. Wanneer ze is gestorven en waar ze begraven is kan ik me niet meer herinneren.

Daar ik toen we naar Vrouwenpolder verhuisden net in de laatste klas van de lagere school zat werd besloten dat ik dat schooljaar in Vlissingen zou afmaken. Kosthuis gezocht en gevonden bij een zuster en zwager van Mien Davidse, de familie Sohier. Ze hadden twee dochters, Leni en Willie. Na enkele maanden moest ik daar weg er waren echtelijke ruzies en daar konden ze mij niet bij gebruiken. Onderdak vond ik toen bij tante Geert en Ome Jan de Nooier, beste mensen maar erg proper was het er niet. Ze hadden drie kinderen Jaap, Jan en Riek. Al met al toch geen onprettige tijd.

's Zaterdagsmorgen hadden we altijd nog school. 's Middags fietste ik dan met vader die elke dag met een mand brood naar Vlissingen fietste mee naar Vrouwenpolder. 's Maandagsmorgens weer terug naar Vlissingen. Van het hoofd van de school dhr Belger kreeg ik 's Maandagsmorgens vrij af. Augustus 1935 werd Vrouwenpolder mijn woonplaats.


Vrouwepolder genoemd naar onze lieve vrouwe van de Polder was een heerlijk rustig dorp. Vierhonderd inwoners. Het dorp bestona uit de Dorpsstraat, nu Dorpsdijk, de Steneweg, nu Schoolstraat, de blinde Lau en de fort de Haakweg de weg naar het strand. De blinde Lau heet nu ook Fort den Haakweg en een nieuwe straat langs de nieuw gebouwde bejaarden huisjes heet nu blinde Lau. Verder was er nog de Zoekweg, een zandweg, nu mooi geasfalteerd en met bungalo's en de Liebertsweg, in de volksmond "Slieperswegje". Aan de duinrand en in de fort den Haakweg stonden enkele zomerhuisjes. Twee campings waren er, van Bram Mesu en Marien Vlieger. (Nu resp. stichting "camping Veerse meer" en de Zandput.) Elk jaar zag je dezelfde badgasten terug komen, Vrouwenpolder werd dan ook wel aangeprezen als familie badplaats. Op het vroon achter de duinen kwamen elk jaar jongeren van de vrije jeugdkerkkampen kamperen. We waren wat blij als we er brood mochten leveren.

Het was een moeizaam begin. De overgrote meerderheid van de bevolking was en is nog Gereformeerd. De andere bakker Marian van de Broeke was gereformeerd evenals Tilroe, de kruidenier. Verder was er nog een winkeltje van "Moeziene", de weduwe Jozina Walraven. In die tijd was het nog gewoonte dat je je inkopen zoveel mogelijk deed bij je geloofsgenoten. Wij moesten het dus voornamenlijk hebben van de hervormden en van de badgasten 's zomers. Bovendien kwamen wij uit de stad en met stadjers wist je toch niet zo goed waar je aan toe was. Men keek de kat eerst eens uit de boom.

Behalve brood en gebak verkochten we ook kruidenierswaren. Vader betrok die eerst van de Fa Simon de Wit uit Middelburg, later van Duvekot uit Goes "Grosco".

Daar we toen in de z.g. laagte woonden, moest moeder altijd buitenom naar de winkel, dit duurde altijd wel even en vooral de jeugd had dan wel eens een gratis snoepje als je begrijpt wat ik bedoel.

Daar vader nogal toezeggingen had van mensen uit Vlissingen voornamenlijk klanten die hij altijd bediende toen hij bij Paul werkte, dat zodra hij voor zichzelf begon op hun klandiezie kon rekenen, betekende dit wel dat hij iedere dag met een grote mand op de transportfiets naar Vlissingen moest trappen. In Vlissingen van het ene eind van de stad naar het andere en dat soms voor een of twee broodjes. Wat later kwam er een bakfiets, na enige tijd een motor bakfiets. In de oorlog weer een gewone fiets daarover straks meer.


Vader was een gezellige kletser die, als hij eenmaal aan het praten was geen notie van tijd had. Het gebeurde dat hij om zes uur thuis kon zijn uit Vlissingen en er om acht uur nog niet was. Moeder ongerust, wij moesten de fiets maar eens pakken en hem tegemoet gaan, misschien ligt hij wel ergens in de sloot. De Vrouwenpolderse weg was toen nog een pracht weg met wel twintig bochten tot Serooskerke, begroeid met hoge bomen vooral in de omgeving van Korenbloem. Geen verlichting dus in de winter was het er erg donker. Wij op de fiets, bij Serooskerke kwam vader vrolijk fluitend aanfietsen. Je moeder ongerust? Je loopt niet in zeven sloten tegelijk. Ik heb bij van Wezel in Middelburg thee gedronken en wat zitten praten. Thuis gekomen kreeg hij behoorlijk de wind van voren, nou daar had hij niet van terug. Beloofde beterschap en de eerste weken kwam hij keurig op tijd thuis. Maar dan vergat hij de tijd weer, maar moeder kreeg ons niet meer op de fiets.


Daar vader in mij een opvolger zag ging ik in de bakkerij helpen. Om mijn ontwikkeling op peil te brengen ging ik driemaal per week naar de vijfjarige handelsavondschool in Middelburg. Vader werd ziek, longontsteking. Dat was wat in die tijd, het was er op of er onder. Na enkele weken werd het bij vader erop. Adri Polderman een werkloze bakkersknecht hield de bakkerij draaiende. Ik moest nu elke dag naar Vlissingen fietsen met een grote mand brood. Vijftien jaar was ik toen. Op de avonden dat ik school had kwam Lein met mijn fiets met boekentas naar Vlissingen en ging met de broodfiets terug. Eten deed ik dan bij opoe Blaas en ging van daaruit naar school. Soms als ik 's morgens wakker werd en de regen op het dak hoorde kletteren ontzag ik soms om uit bed te komen. Weer dat ellendige eind naar Vlissingen, 20 K.M. heen en twintig K.M. terug en dan heel Vlissingen door. Het was dan heerlijk om om een uur of vijf thuis te komen. Ging ik naar school waren het lange dagen. Negen uur op de fiets, 's avonds half elf thuis. Toch heb ik nooit spijt gehad dat ik dat heb moeten doen, je wist wat werken was en daar heb ik mijn leven lang profeit van gehad. Met de feestdagen moest er ook 's nachts gebakken worden. Lein en ik waren dan ook altijd present. Het was dan een gezellige boel, we hebben wat afgelachen.

Rika Vermeulen was, zoals elke morgen de geiten van de wei wezen halen. Lein en ik hadden een zotte bui en zaten elkaar achteraan. Lein vliegt de bakkerij uit net toen Rika met de geiten langs kwam. Lein vloog pardoes tussen de geiten, die namen van schrik een sprong. Rika kon ze niet meer houden, moest het touw loslaten en daar gingen de geiten. We moesten toen op geiten jacht en geloof maar niet dat je die rot beesten zomaar had. Vader kon z'n lachen haast niet inhouden maar hij moest wel tegenover Rika.

Met de knecht Adrie konden we het best vinden, het was een harde werker met hart voor de zaak. Stak een keer toen er een steen uit de vuurmond was gevallen zijn hoofd erin om de steen op zijn plaats te zetten. Erin ging goed, maar eruit, och arme, door de hitte die nog in de vuurmond hing was zijn hoofd uitgezet en ook zijn neus zat in de weg. Dat waren benauwde ogenblikken. Na veel gewrik, gepaard gaande met veel zuchten en steunen schoot zijn hoofd de oven uit. Tjonge dat was een opluchting.


De zaken gingen intussen wel wat beter en ondanks de crisisjaren bleven de badgasten komen. Moeder was een echte zakenvrouw die de touwtjes stevig in handen hield al kon ze niet altijd verhinderen dat vader soms zeer onzakelijk te werk ging. Vader en moeder waren vriendelijke mensen, hadden voor iedereen een goed woord zodat de mensen van het dorp ook steeds meer de winkel bezochten.

Al ging het dan wat beter, het was nog lang geen vetpot. Iedereen had het arm. De boerenarbeiders moesten van 's morgens vroeg tot 's avonds laat hard werken voor een karig loon. Was er 's winters geen werk van wege de vorst b.v. was er ook geen inkomen. Er werd dan ook nogaleens "op de pof gekocht". Door de komst van de badgasten werd het wel iets beter. Alles werd verhuurd, schuurtjes, kippenhokken, als men er maar wat kon bijverdienen. Het brood moest altijd bezorgd worden. Daar ging je dan met een mand brood de duinen in waar de tentjes stonden. Kwamen er 's zaterdagsavonds nog kampeerders en was het brood op ging vader er vrolijk nog wat bij bakken en het soms om half elf 's avonds nog bezorgen. "Je kunt de mensen toch 's zondags niet zonder brood laten zitten." Dat er geld bij moest kwam niet in zijn gedachten op. Denk niet dat we ondanks armoede en het harde werken geen plezier hadden, het was altijd een vrolijke boel. Onze ouders waren ook zeer plichtsgetrouw, het kon nog zo druk geweest zijn, de winkels waren open van 's morgens acht tot 's avonds acht, 's zaterdags tot tien uur, 's zondagsmorgens op tijd uit bed en naar de kerk.

Vader was lange tijd ouderling en na kerktijd hield hij zondagschool. Moeder was presidente van de Hervormde vrouwenver., hetgeen ze zeer nauwgzet en met plezier deed.

Moeder zie ik nog steeds als de drijvende kracht in ons gezin. Zij was de spil waar alles om draaide. Vader zag het leven als een grap, maar owee als er moeilijkheden waren dan moest moeder de boel opknappen. Met liefde en respect denk ik aan mijn ouders terug.


Als kinderen van meelevende hervormde ouders gingen we behalve mee naar de kerk, ook naar cathechesatie en jongelings verenigingen. Eerst bij ds Van Duine, later bij ds de Bie. De jongelingsver. heette "Obadja", naar een van de kleine profeten. Bij toerbeurt moesten we een bijbelinleiding of opstel maken. Het opstel was over een vrij onderwerp, het bijbelgedeelte voor de bijbelinleiding kreeg je op. Na de pauze werden er spelletjes gedaan. B.v. Kwartetten en dan wel ezelen. We speelden altijd zo dat het wel uitkwam dat de dominee "ezel" was. Jammer genoeg heb ik nooit een opstel of bijbelinleiding uit die tijd bewaart, ondanks alle goede bedoelingen zal het wel niet veel zaaks geweest zijn.

Broer Lein had een broertje dood aan het maken van opstel of bijbelinleiding, meestal deed ik het voor hem en schreef hij het netjes over. Op een keer was zelfs het overschrijven te veel moeite. Vol moed begon hij aan zijn bijbelinleiding, dapper las hij een bladzij, begon daarna steeds meer te stotteren, moest zinnen opnieuw beginnen maar raakte steeds meer van de wijs. Met een nijdig gebaar, vuurrood hoofd, smeet hij het schrift op tafel en zei "Lees zelf maar verder, je hebt het zelf geschreven ook, ik kan het niet meer lezen." Grote hilariteit maar wel een boze dominee.

Waar we altijd naar uitkeken was het jaarfeest van de jongelings ver. Bij gebrek aan een dorpshuis werd dit in de kerk gehouden. Voor in de kerk werd een podium gebouwd, de consistoriekamer diende als kleedkamer. Vooral als je aan de beurt was voor bijbelinleiding of opstel was je wel wat zenuwachtig. In de kerk zaten dan je dorpsgenoten, meisjes van de meisjesver. en afgevaardigden van verenigingen in de omtrek. Na de pauze werd een toneelstuk opgevoerd. We hadden een dankbaar publiek, het was een avondje uit voor de rest was er niet veel te doen op het dorp. Voor ons was de catechesatie en de jongelingsver. het enige uitstapje. Ondeugend waren we ook wel eens. Van Ries Vos (hij ruste in vrede) pisten we zijn klompen vol toen hij bij Piet Schoe een praatje ging maken en zijn klompen op de stoep had laten staan. In het vervolg nam hij ze mee naar binnen. Op een mooie zomeravond stond Jaap Polderman op de hoek bij de bakkerij met een paar mannen te praten zijn rug naar het dorp gekeerd. En dat had hij juist niet moeten doen. Op zijn rug hing namenlijk een grote bos stro die hij zojuist was wezen halen voor zijn geiten. We keken ernaar en ja er moest toch weer eens wat gebeuren. Wie op het idee kwam ik niet meer, maar ineens waren er lucifers en stond die bos stro in brand. Kerel, wat ging die man te keer.

Vader was ziek. Boer Melis die een zoon in de Noord-Oostpolder had zou hem gaan bezoeken en twintig bolussen meenemen. Lein en ik zouden ze wel even bakken. We hadden dat wel meer gedaan maar dan onder het toeziend oog van vader. Het ging allemaal goed, mooie bolussen, maar hoe het kwam weet ik niet maar we lieten ze te lang in de oven zitten. Half verbrand kwamen ze eruit. Wat nu, goede raad was duur. Maar vindingrijk als we waren besloten we om de bolussen alvast in te pakken voor Melis. Stevige doos, mooi papier er omheen en ten overvloede nog een touw, mooi gestrikt er omheen. Ziezo dat was gefikst. Netjes weggebracht. Dat hadden we mooi voor elkaar. Maar we hadden buiten de waard gerekend, de goede man kwam op het onzalig idee de bolussen uit te pakken. De rest kun je wel raden. We moesten als de wiedeweerga nieuwe bolussen bakken en nu onder het toeziend oog van moeder. Geloof dat we ons best deden.

Brood en boodschappen werden toen nog altijd thuis bezorgd. Kwamen er badgasten moesten Lein en ik de wacht houden tot ze kwamen en vragen of we a.u.b. brood en boodschappen mochten leveren. Wat een rot werk, je voelde je haast een bedelaar. Hadden we succes waren we toch weer blij.

Oorlogsjaren (Mei 1940-Mei 1945)

5 mei 1945. Prachtige morgen, strak blauwe lucht met een schitterend opgaande zon. Het zou een warme dag worden. Dat werd het ook letterlijk en figuurlijk. Hoog in de lucht vliegtuig geronk, rustig vlogen ze daar als was het een vakantie uitstapje. We zagen wel dat het Duitse vliegtuigen waren, maar wie dacht er aan oorlog - was Charnberlain de Engelse minister niet steeds met gerustellende berichten uit Duitsland terug gekomen, bovendien was Nederland neutraal. De berichten door de radio spraken andere taal. Hitlers weermacht was Nederland binnengevallen. Hevige gevechten op de Grebbeberg, Rotterdam gebombardeerd, de mariniers vochten er als leeuwen. Helaas het mocht niet baten, wie was er op oorlog voorbereid, behalve de Duitsers? Zij hadden zeer modern materiaal, onze uitrusting was verouderd. Ik dacht toen aan de woorden van ds Hartjes, bij wie ik in Vlissingen nog op schoolcatechesatie was geweest. Op een van die lessen vertelde hij dat hij een zwager had die predikant was in Duitsland. "Jongens," zo zei hij, "er komt oorlog, ik wil jullie niet bang maken maar in Duitsland is er een halve gek aan de macht en in stilte bereid hij een oorlog voor. Alles wordt ondergeschikt gemaakt aan de oorlogsindustrie. Ik ben pas in Duitsland geweest en het ziet er niet best uit." Zes jaar later was het dan zover. Na het bombardement op Rotterdam besloot generaal Winkelman, na het dreigement van de Duitsers ook Utrecht te bombarderen tot capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten. Zeeland vocht nog door, Franse troepen leverden hier strijd, voor zover er van strijd sprake was. Na het bombardement op Middelburg, 19 Mei gaf ook Zeeland zich over. Daar er in Vlissingen ook al bommen waren gevallen besloot de Vlissingse familie uit te wijken naar Vrouwenpolder. Zij waren niet de enige, veel Vlissingers ontvluchten de stad en zochten onderkomen op een van de dorpen. Veel Vlissingers kwamen ook naar hier. Tante Pie en ome Jan met neef Jan kwamen bij ons in huis. 's Avonds kwamen er matrassen op de vloer van de kamer en daar werd dan geslapen, tjokvol zat ons kleine huisje. Tante Zoet, ome Jo met dochter Koos, opoe en opa Blaas met ome Piet en tante Maatje zaten in het huis van Willemse dat toen net leeg stond. Tante Geert en ome Jan de Nooier zaten in de zoekweg bij Melse en ome Janis met tante Pie in het zomerhuis bij Jan Duvekot aan de Dorpsdijk. Je stond er versteld van wat er toen niet kon. Alles samen gepakt op een kleine ruimte. In het begin merkte je niet veel van de bezettingsmacht, de soldaten gedroegen zich keurig. Wat zouden ze zich ook druk maken waren zij geen onderdeel van een onoverwinnelijk leger? Al marcherend zongen zij "Wir fahren gegen England" Ja, ja, dachten we dan als je dat proberen verzuipen je allemaal. Gek eigenlijk dat ondanks de geweldige opmars van de Duitse legers door België, Frankrijk, niemand dacht aan een uiteindelijke overwinning van de moffen, behalve dan natuurlijk een handjevol N.S.B.ers.


Langzamerhand begon je toch te voelen dat je in bezet gebied woonde en lieten de Duitsers merken wie hier de baas was. Duinen en strand werden verboden gebied, 's avonds om tien uur begon de spertijd en mocht je je niet meer op straat vertonen. Levensmiddelen werden schaars en gingen op de bon. Jonge mensen werden te werk gesteld in Duitsland, waaronder ook Lein. We wilden voor voor hem nog een onderduikadres zoeken maar om een of andere reden wilde hij dat niet. Moeder die nooit haar emoties liet blijken kon ze nu niet meer verbergen, voor het eerst heb ik ze toen zien huilen, zacht en beheerst. Ze dacht dat ze Lein nooit meer terug zou zien. Iedere Nederlander was verplicht een persoonsbewijs bij zich te hebben, Naam, geboorteplaats, woonplaats, geboorte datum en jaar. Mijn persoonsbewijs werd veranderd door een oranje gezinde gemeenteambtenaar. Mijn geboortejaar 1922 werd veranderd in 1918, zodat ik net buiten de leeftijd viel om in Duitsland te werk gesteld te worden. Daar Lein geen schrijver was waren zijn brieven schaars, bovendien werden ze gecensureerd zodat je nooit te weten kwam hoe hij het in werkelijkheid maakte. Ondanks alle moeilijkheden bleven we de moed er in houden. Om de bevolking te verhinderen naar "Radio Oranje" te luisteren, die vanuit Engeland uitzond moesten alle radios ingeleverd worden. Wij hadden er twee, een werd ingeleverd, de andere verdween in de rijskast onder de oven. Regelmatig kroop ik in de rijskast om te luisteren, schreef het enkele malen op en bracht de berichten naar mensen die te vertrouwen waren. Als dank kreeg ik van meester van Hekken na de oorlog het boek "Sil de strandjutter".

Ds de Bie de toenmalig predikant van Vrouwenpolder kwam geregeld naar de radio luisteren. Rijstkast in, deurtjes dicht, deur van de bakkerij ging open en daar stond een Duitse officier met een soldaat. Ze kwamen de bakkerij bekijken en zouden die nacht komen bakken. Toen ze in de rijskast wilden kijken kon vader ze gelukkig aan het verstand brengen dat er brood stond te rijzen en de kast niet open mocht. Eindelijk gingen ze weg, gauw de deuren open en daar kwam de eerwaarde druipend van het zweet. Het had niet lang meer moeten duren want behalve de hitte kwam er ook gebrek aan zuurstof.

Het werk in de bakkerij was ook niet leuk meer. Meel van slechte kwaliteit, zodat het brood dikwijls klef was. Van banket bakken kwam helemaal niets meer alles was op de bon. De enkele gelukkige die door ruilen wel eens wat boter op de kop kon tikken liet bij een feestelijke gelegenheid nog wel eens iets lekkers bakken. Veel boeren lieten hun tarwe die ze van de Duitsers voor eigen gebruik mochten houden malen bij de molenaar en brachten dat dan bij ons om brood van te bakken. Soms kon vader wat meel van de boeren kopen, bakte er brood van en verkocht het zonder bon. Echter nooit voor zwart geld, dat kwam zijn eer te na.


Ook voor boer Melis uit de Rijke buurt bracht de molenaar regelmatig meel bij ons, vader bracht het brood en nam dan bij Melis een mandje eieren mee. "Tel ze zelf maar bakker ik heb er geen tijd voor gehad" zei de dochter. Op een keer was het meel op en vroeg vader aan Melis of hij weer meel kon laten brengen. "Meel op, dat kan toch niet bakker, de molenaar heeft nog niet zolang geleden een mud tarwe gebracht" "Dat was dan wel een klein mud" zei vader. "Bakker ik geloof je ", zei dochter Melis, "Ik zei wel dat ik de eieren nooit geteld heb maar ik heb ze altijd geteld en er heeft er nooit een ontbroken, je bent zo eerlijk als goud" "Het is toch wel een geraffineerde streek" zei ik tegen vader. De eerlijkheid van vader was haast spreekwoordelijk. Zeker vijftien jaar na zijn dood ging ik bij café Duvekot drank halen. Ik kwam een rijksdaalder te kort "betaal dat de volgende keer maar" zei Jannie de vrouw van Wim Duvekot. De volgende keer was Wim er zelf, ik zei tegen hem, je krijgt nog een rijksdaalder van de vorige keer. "Kiek" zei Willem, "ik docht zou ten er om dienke, as um der nie om dienkt vraeg ik erom". Iemand die aan de bar zat zei, "natuurlijk dienkt ie erom, 't is ter ommers een van den ouwen bakker".

Het fietsen met de zware broodmand naar Vlissingen was toch al geen genoegen maar het werd zo zachtjes aan een ramp. Geen goede fietsbanden, vaak een lekke band, onderweg laten maken en dan maar hopen dat het verder goed ging. Ook vaak een lekke band als ik naar mijn leerlingen moest. De fiets van tante Zoet bracht dan uitkomst. Ze had een fiets met masieve banden, geen lekke banden dus, maar wel merk "trap je dood". Maar het voornaamste was je kon je werk doen. En dan de verduistering, van zwart papier werden gordijnen gemaakt en voor de ramen gehangen, er mocht 's avonds geen licht naar buiten schijnen. Ook de fietslamp moest verduisterd worden zwart papier over de lamp met een klein spleetje in het midden waar een miniscuul klein lichtstraaltje door kwam. Kwam ik in de winter in donker van Oostkapelle reed ik over het buiten "Zeeduin" dat was korter. Iedere keer reed ik in een grote struik die net om een bochtje stond. Telkens nam ik me voor goed op te letten, maar die vermaledijde strijk was me net altijd iets te vlug af het lukte me haast nooit de struik te ontwijken.

De Veerse dijk tussen Veere en Vrouwenpolder was na zonsondergang verboden gebied. De Duitsers waren als de dood voor spionage. Je moest dus over Gapinge naar Vrouwenpolder. Een keer besloot ik het toch maar over de dijk te wagen, het was nog niet helemaal donker. "Het kan misschien nog net" dacht ik, maar ik had verkeerd gedacht. Aangehouden door een nerveuze schildwacht, met geweer in de aanslag opgebracht naar de wachtcommandant, daar werd ik opgesloten in een kamertje. Gelukkig had ik mijn trouwe vriend de pijp bij me. Deze gestopt en zitten roken. De pijp gaf me wel enige troost maar dat ik erg op mijn gemak was kan ik niet zeggen. Je wist het maar nooit met de Duitsers. Na ongeveer een uur kwamen ze me halen en brachten me naar de commandant. Hij vroeg me het hemd van het lijf. Tot mijn grote verwondering kreeg ik mijn in beslag genomen papieren terug en mocht ik gaan. De schildwacht bracht me weer terug naar de plaats van aanhouding en moest ik toch nog over Gapinge naar huis waar ik net voor de spertijd begon aankwam.


Het juk van de Duitse bezetting liet zich steeds zwaarder voelen. Vooral de joden hadden het zwaar te verduren. De eerste verzetsgroepen werden in het leven geroepen. Ook in Zeeland vormde zich een verzetsgroep. Men moet zich hier vooral niet teveel van voorstellen, het deel van de bevolking dat daadwerkelijk verzet pleegde was zeer klein. De kinderen van ds. de Kluis, gereformeerd predikant in Serooskerke hadden orgelles van me. Na de les maakte ik dikwijls een praatje met de dominee en hoe kon het anders, het gesprek kwam vaak over de bezetting. Na enige tijd merkte hij wel dat ik een broertje dood had aan de Duitsers en vroeg me toen of ik er voor voelde als koerier in zijn verzetsgroep te worden opgenomen. De naam van de verzetsgroep is me ontschoten*. Daar ik in het vrije beroep zat en dus geen vrij hoefde te vragen aan een baas als ik op reis moest leek ik bij uitstek geschikt voor dit werk. Lang nadenken hoefde ik niet, zo kwam ik het verzet binnen. Mijn schuilnaam werd "Ambi". Daar ik wekelijks bij de ds. aan huis kwam kon hij me zo opdrachten geven. Mijn a.s. schoonvader, de Roo, ik had inmiddels dik verkering met zijn dochter (later meer hierover), was beheerder van het postkantoor. Gebeurde het dat ik onverwacht op reis moest stuurde ds de Kluis een telegram geadresserd aan "Ambi, Vrouwenpolder". Vader de Roo bracht het bij me en na lezing nam hij het mee terug en stuurde het telegram retour als onbestelbaar, adres onbekend.

*De schuilnaam van ds Kluis was "Smoom".

Als koerier heb ik verschillende onderduikers gehaald en weggebracht wat niet zo plezierig was, lange reistijden en soms strenge controle. Daar er op mijn persoonsbewijs als beroep musicus stond heb ik een keer mijn handen moeten laten zien, nu dat was wel in orde. De jongens die je moest halen of wegbrengen waren dikwijls zeer zenuwachtig, dat was het grootste probleem. De afspraak was dat als er iets met ze fout ging ze mij niet zouden kennen maar toevallig in de trein ontmoet had. Moest ik jongens halen bracht ik ze naar de boerderij van van Liere op Oostkapelle was daar geen plaats werden ze tijdelijk ondergebracht bij Jos But. Jos had ik schreef het reeds een pension en kreeg inkwartiering van Duitse officieren. Dat belette hem niet jongens onder te brengen op de zolder van het gemeentehuis waarvan hij congierge was. 's Avonds speelde Jos piano en dronk een borrel met de Duitsers tot grote ergernis van de bevolking die dachten dat hij Duits gezind was. Een betere dekmantel was niet denkbaar. Er zijn soms situaties waarin je je wel erg rottig voelt. Dat overkwam mij toen ik voor een bespreking met een contactman naar Utrecht moest. Met het gehate N.S.B. blad in mijn hand moest ik op het eerste perron staan. Daar stond ik dan, de trein kwam binnen en de reizigers verlieten haastig het station natuurlijk moesten langs mij, venijnige blikken werden me toegeworpen en sommigen sisten "landverraader". Niemand kwam er echter om mij uit mijn lijden te verlossen. Toen het perron helemaal leeg was zag ik op het derde perron een eenzame figuur staan. Toen zag hij mij ook. Na het wisselen van de wachtwoorden heb ik nog nooit met zoveel genoegen een krant verscheurd.

Reis naar Roermond. 's Morgens acht uur weg, 's avonds vijf uur in Roermond. Onderweg vaak controle, de Duitsers waren zeker wat op het spoor. In Roermond aangekomen moest ik me melden in een café. De cafébaas was contactman. Wachtwoorden gewisseld en verder zitten lezen. Terug kon niet meer dus overnachten. Op de slaapkamer aangekomen zag ik een groot portret van Hitler op het nacht kastje staan, toch wel even schrikken, zou ik in de val gelopen zijn. De wachtwoorden klopten maar ja je weet maar nooit. De volgende dag met een uiterst nerveuze jongeman de terugreis aanvaard, gelukkig geen controle. Vanaf Middelburg op de fiets naar v. Liere. Na weer eens een reis gemaakt te hebben kwam ik 's avonds te laat in Middelburg aan om nog naar huis te kunnen. Overnacht in hotel "Du Commerce" tegenover het station. Stom natuurlijk maar niet naar huis gebeld, ik dacht er helemaal niet aan dat mijn ouders wel eens ongerust zouden kunnen zijn. Toen ik de volgende morgen vrolijk en welgezind thuis kwam en ze dolblij waren me te zien kreeg ik toch van moeder behoorlijk op m'n duvel. "Het was toch een kleine moeite geweest even te bellen? Snap je dan niet dat we ongerust waren." Nee niet aan gedacht. Dagboeken of notities heb ik nooit bijgehouden waar ik achteraf wel spijt van heb. Zo kwam ik na ongeveer vijftig jaar op de toeristenmarkt in Vrouwenpolder een man tegen die zei "Het is heel wat drukker hier dan toen ik bij But ondergedoken zat meneer Hekhuis" Hebt u bij But ondergedoken gezeten?" Jazeker u hebt me er zelf gebracht. "Het bleek iemand uit Oostkapelle te zijn die ik nadien nog wel eens gezien had maar niet een van mijn onderduikers in herkende.


Behalve de aanwezigheid van Duitse soldaten, die soms luid zingend over het dorp marcheerden merkte je hier niet veel van de bezetting. Wel werden verschillende artikelen schaars of waren helemaal niet te krijgen. Boter b.v. was erg schaars. We kochten dan melk bij de boer lieten er vellen op komen, in een fles en dan maar schudden tot het boter werd. Lein en ik waren natuurlijk nog al eens de klos. Maar we hadden er wat op gevonden. Ieder aan een kant van de tafel en dan de pot melk naar elkaar toe rollen. Soms ging het wel eens wat te wild en vloog de fles door de kamer" Een beetje kalmer kan ook wel" zei moeder dan.

Behalve tante Zoet met ome Jo en dochter Koos, opoe en opa Blaas, die allemaal nog steeds in het huis van Willemse woonden was de hele familie terug naar Vlissingen. Het leven werd, voor zover dat in de oorlog mogelijk was weer normaal. Verdriet was er toen in 1940 opoe Blaas stierf, een blijmoedig goed en lief mens was heengegaan.

Verdriet was er ook toen in 1944 mijn a.s. schoonvader stierf. 56 jaar oud, niervergiftiging. Vader de Roo was een levensgenieter, hoe beroerd het soms was hij zag van alles de zonnige kant. Hij was een goed schutter en lid van de toen bestaande burgerwacht. Veel prijzen heeft hij bij elkaar geschoten. Bij de komst van de Duitsers heeft hij zijn geweren in de tuin begraven, in plaats van ze in te leveren wat verplicht was. Nooit heeft hij verteld waar ze lagen, we hebben ze dan ook nooit gevonden. Helaas heeft hij de bevrijding niet meer mee kunnen maken.

Ds de Bie de toenmalig predikant leidde de begrafenis, hij zei tegen me "we hielden alletwee van die man ieder op zijn manier. Een goed mens is gestorven voor ons veel te vroeg".


In de school zaten wit russen, gedwongen dienst te nemen in het Duitse leger. Een van die jongens, Nicolaas, kwam 's avonds wel eens bij ons aanlopen. Praten konden we niet met hem, hij sprak een beetje gebroken Duits, voor de rest ging het met gebaren. Toch vond hij het schijnbaar gezellig bij ons. Keek hij naar vader begon hij te grijnzen en zei "papa Stalin". Waarschijnlijk vanwege zijn snor en wat donker uiterlijk vond hij dat vader op Stalin leek.

's Nachts hoorde je het geronk van de geallieerde vliegtuigen die richting Duitsland vlogen en hoewel je wist dat er bij de bombardementen weer vele doden zouden vallen, klonk het als muziek in je oren. "Het is toch hun eigen schuld! Zo redeneerde je dan. Op een enkeling na waren de mensen hier anti-Duits. De enkele z.g. Duits gezinden waren mensen die zich in de maatschappij tekort gedaan voelden. Je had geen last van ze, ze hielden zich koest.


1944 werd het echt menens, de geallieerden waren geland in Normandië. We dachten nu zal het niet lang meer duren maar de Duitsers boden verwoed weerstand en er werd hevig gevochten.

Walcheren was een grote vesting en daar de geallieerden vrije doortocht door de Westerschelde naar Antwerpen wilden werd besloten het eiland onder water te zetten. Pamfletten werden uitgeworpen dat de dijk bij Westkapelle gebombardeerd zou worden. Dit gebeurde 3 oktober. Daar de inundatie van Walcheren te langzaam ging werden ook de dijken bij Vlissingen en Veere kapot gegooid. Vrouwenpolder was een van de weinige dorpen die niet onder water kwamen te staan. Veel mensen uit de omliggende dorpen zochten hier dan ook een onderkomen, het dorp zat bomvol. Er werd een nood-comité opgericht en de consistoriekamer van de Herv. kerk werd als noodhospitaal ingericht. Vanuit St. Laurens was dr Doeleman naar hier gekomen en verzorgde de patiënten. Bij gebrek aan verplegend personeel sliep ik 's nachts in het noodhospitaal om zonodig de arts te kunnen waarschuwen.

Hier heb ik voor het eerst een mens zien sterven. Bij werkzaamheden in de duinen op een mijn getrapt zo erg gewond dat er niets meer aan te doen was. Toen ik zag dat hij het niet lang meer zou maken ben ik zijn vrouw die hier op het dorp ondergebracht was wezen halen. Op weg naar het hospitaal kwamen we Duitse soldaten tegen, de vrouw begon vreselijk te gillen zo bang was ze. Gelukkig heb ik haar kunnen kalmeren en de Duitsers uitgelegd wat er aan de hand was, ongemoeid konden we toen onze weg vervolgen.

Dit sterfbed zal ik niet licht vergeten, de man had het vreselijk moeilijk en bad telkens steunend en hijgend het onze vader. Ik kon niet meer doen dan af en toe zijn hoofd wat deppen met een natte doek. Dokter was er niet, weggeroepen voor een patiënt in de Lepelstraat. Waarschijnlijk omdat dit sterven zo'n indruk op me maakte kan ik me de naam van de man nog herinneren. "Koppenol", zij kwamen uit Schouwen.


25 Augustus 1940 deed ds Jan de Bie intrede als predikant te Vrouwenpolder. Het werden voor hem en zijn vrouw Corrie moeilijke jaren. Als goed vaderlander en fel oranjeklant was het hem een gruwel dat hij inkwartiering kreeg van een Duitse officier en zijn oppasser. Zowel in zijn preken als in een gewoon gesprek kon hij waarschuwen voor het gevaar van het nationaal socialisme. Reikhalzend zag hij uit naar de dag dat de Duitsers verslagen zouden zijn. Spoedig waren we goede vrienden. 's Maandagsmorgens ging ik hem orgelles geven. "Jan zet eens alle deuren open" zei hij een keer tegen me. Verbaasd voldeed ik aan dit verzoek. Ds ging achter zijn orgel zitten trok alle registers open en speelde het Wilhelmus. "Ziezo dat lucht op, hopenlijk heeft hij daarboven, doelend op de Duitse officier, het ook gehoord en weet hij welk lied dit is. Dat het een keer fout zou lopen stond voor de ingewijden vast. Op een avond werd hij uit de cathechesatie weggehaald en overgebracht naar Middelburg. Schijnbaar hadden de Duitsers niet voldoende bewijzen, na een paar dagen werd hij vrijgelaten maar van Vrouwenpolder verbannen. Er werden koffers gepakt met de meest noodzakelijke dingen, daar de Duitsers toen fietsen in beslag namen gingen we lopend naar Grijpskerke. Stok door het handvat van de koffers op de schouders en lopen maar. In Grijpskerke werd hij en zijn vrouw gastvrij ontvangen in de Herv. pastorie bij ds Henk van Loon. Meermalen ben ik daarna nog naar Grijpskerke gelopen met dingen die ze nodig hadden. Daar de Duitse officier inmiddels overgeplaatst was en de pastorie enkele dagen leegstond hebben enkele inwoners van Vrouwenpolder de pastorie helemaal leeggehaald, zelfs de stopcontacten en lampen werden gesloopt. Wie er aan mee hebben geholpen is altijd in het duister gebleven. Begin september na dolle dinsdag steeg de terreur, ook op Walcheren, toch waagde ds de Bie het terug te komen, hij had inmiddels beroep naar Laren aangenomen maar kon niet weg. Na de bevrijding heeft hij korte tijd dienst gedaan als veldprediker, het beroep naar Laren had hij inmiddels ongedaan gemaakt, bij de stoottroepen in Brabant. Hij kon dit werk echter niet volhouden, lag ziek in den Bosch en werd afgekeurd. Terug in Vrouwenpolder knapte hij op, zo zelfs dat hij in februari naar Ginneken vertrok om tijdelijk ds Ter Haar Romeney te vervangen, die aan het hoofdkwartier van Prins Bernard dienst ging doen.

Daar Vrouwenpolder al een dominee beroepen had ds Valeton, hadden we een poosje twee predikanten. 18 maart nam ds de Bie afscheid van Vrouwenpolder om 1 april intrede te doen in Ginneken. Dezelfde week werd hij opgenomen in het diaconessen ziekenhuis in Breda, de 10e werd hij geopereerd en overleed 19 april, 33 jaar oud.


Lein, Wim Duvekot en ik waren bij ds de Bie op belijdeniscatechesatie bij onze belijdenis preekte hij over de drie jongelingen in de vurige oven.


Vanaf half september hadden we regelmatig het geschut vanuit Zeeuws-Vlaanderen gehoord er werd daareen zware strijd gevoerd. De Duitsers probeerden wanhopig het geallieerde offensief tot staan te brengen. Vanaf Serooskerke werden V2 afgeschoten richting Londen. Dit duurde enkele dagen. Eindelijk was daar de bevrijding. De Engelsen waren geland in Vlissingen en Westkapelle. Het zou echter langs de kuststrook nog een zware strijd worden. 8 november viel Vrouwenpolder als laatste plaats op Walcheren in geallieerde handen. (Zie bijlage "bezetting en bevrijding en artikel in "chocolade,witbrood en tranen".)

Het was een chaotische toestand vlak na de bevrijding. Mensen die zich tijdens de oorlog opvallend koest hadden gehouden zag je nu ineens met een geweer over de schouder lopen, de z.g. ordedienst. Meisjes die ervan verdacht werden wel eens met een Duitser gevrijd te hebben werden van huis gehaald. Het was de bedoeling ze op een kar te zetten en kaal te knippen. Ome Jo Kamermans, de verzetsman Janis Geerse Jr. en ik hebben dat gelukkig weten te voorkomen, het werd ons niet in dank afgenomen. Ook tegen Jos But werd een klacht ingediend, hij kreeg huisarrest en zou te zijner tijd berecht worden. Met Janis Geerse ben ik toen naar Middelburg gegaan naar de commandant van het militair gezag dat inmiddels was ingesteld. We deden ons verhaal en Jos werd van alle blaam gezuiverd. Gek genoeg hebben wij er tegen elkaar nooit meer over gepraat. Toen ik bij hem kwam om mee te delen dat het afgelopen was met zijn huisarrest en berechting kreeg hij tranen in zijn ogen en zei "bedankt Jan". Nadien is er nooit meer een woord over gesproken.


De reis naar Middelburg was al een avontuur op zichzelf - enkele keren per dag ging er een motorvlet van Veere naar Vrouwenpolder. Het was maar een klein bootje en bij wat wind kon dat ding aardig tekeer gaan. Kwam je in Veere aan moest je met de benenwagen naar Middelburg, dat was een aardige tippel vooral omdat het wegdek niet al te best was. Wat later kon je als je geluk had met de Canadezen mee met de DUKW, een amfibievaartuig. Dat ging regelrecht over het verdronken land naar Middelburg. Menigmaal heb ik zo'n tochtje gemaakt.


Oud verzetsmensen en onderduikers konden zich opgeven voor dienstneming in het pas opgerichte corps "stoottroepen". Ik gaf me ook op, natuurlijk de Duitsers waren nog niet verslagen en ik wilde graag mijn steentje bijdragen. Opleiding in Bergen op Zoom door Engelse commando's. Dat was een stevige opleiding. Later deden we bewakingsdienst in De Heen in Brabant, de Duitsers zaten nog op Schouwen. Ook in de Hamster bij Oostkapelle hebben we nog gebivakeerd. Na de algehele bevrijding kwamen we in Vucht terecht. Daar kwam de oproep je aan te melden voor dienstneming en uitzending naar Nederlands Indië. Ds Valeton toen predikant in Vrouwenpolder kwam naar Vucht om met me te praten. Zijn advies was, "niet doen". Op hoog nivo is al lang besloten dat we Indië kwijtraken. Ik heb zijn raad opgevolgd, bovendien bleek het soldatenleven niet aan mij besteed. Hoewel ik er nooit spijt van heb gehad, het was een mooie tijd. Na een jaar in dienst te zijn geweest diende ik mijn ontslag in en kwam terug naar huis. Daar Walcheren nog onder water stond kon ik mijn werkzaamheden nog niet hervatten en werd tijdschrijver bij de M.U.Z. (Maatschappij tot Uitvoering der Zuiderzeewerken) die met de droogmaking van Walcheren was belast.

Gezin, familie en vrienden

Onze ouders, ik schreef het reeds, waren hardwerkende en plichtsgetrouwe mensen. Vader had een kinderlijk geloof, het stond in de bijbel, dus was het zo. Moeder was veel critischer, vooral van Pualus moest ze niets hebben. Een eigenwijs mannetje die het nog beter wist dan Jezus. Menigmaal ging ze daarover met de dominee in discussie, mooi om aan te horen. Moeder was een wijze vrouwe, die altijd goed nadacht over wat ze ging zeggen. Ze stond open voor de dingen van deze tijd zelfs voor popmuziek. Ik geloof dat ze voor zichzelf niet altijd een makkelijk leven had. Vader was heel wat makkelijker, die nam het leven zoals het kwam. Kon ook soms zeer onredelijk wezen. Dacht niet na over de dingen die hij zei. Als leider van de zondagschool sprak hij bij de kerstviering het openingswoord en gebed, onvoorbereid. Ik bespeelde dan het orgel en dacht vaak waar moet dat naar toe. Hij sprong van de hak op de tak, soms was er geen touw aan vast te knopen. Onverwacht kwam dan het einde. Ds. Jan de Boer zei eens tegen me: "Als je vader zo bezig is glimlachen de engelen en God de Vader ziet het welwillend aan want je vader meent het zo goed."


Onder de kennissen en vrienden nam de familie de Roo een bijzondere plaats in. Ze hadden twee dochters Lena en Jaantje. Met laatst genoemde had ik verkeeing. Net een knipperlichtje, aan, uit, aan, uit. Toch resulteerde het eindelijk in een huwelijk. Vader de Roo was van beroep wagenmaker, een vrolijk en goedlachs man. Met de opkomst van de bandenwagens was er voor hem geen droog brood meer te verdienen. Gelukkig was hij erg handig en werd door de PZEM aangesteld om kleine stoornissen te verhelpen.

Ook was hij kantoorhouder van de P.T.T. In de huiskamer aan tafel gezeten met de geldtrommel naast zich op de stoel behartigde hij de belangen van de P.T.T. Je zou het nu niet meer moeten proberen. Achter aan het huis waren kamers gebouwd zodat ze 's zomers aan de badgasten konden verhuren. Ook had vader de Roo een zomerwoning gebouwd aan het vroon onder aan de duinen. In de zomermaanden dus goede verdienste. Moeder de Roo was een klein tenger vrouwtje. Ze was afkomstig uit Drente, naar Vrouwenpolder als dienstbode mee gekomen met ds V.d. Vlucht. Het was een ijverige vrouw, ze dribbelde wat heen en weer. Koken kon ze als de beste, de pensiongasten wisten er van mee te praten. Evenals vader zat vader de Roo in de kerkeraad.


Lena de oudste dochter had verkering met Jaap Louwerse uit Oostkapelle, deze werkte in de Wieringermeer aan de drooglegging van de Zuiderzee. Daar ze elkaar niet zolang konden missen zocht Lena daar een betrekking, op twintig jarige leeftijd ging ze uit huis weg. Na enkele jaren trouwden ze. Toen de Noord-Oostpolder droog was kregen ze daar een boerderij toegewezen. Marknesse werd hun woonplaats. Ze kregen twee zonen Willem en Johan.

Vader en moeder de Roo hadden ook nog een jongetje gehad, Kees, deze is maar twee jaar geworden.


Zoals ik reeds schreef had ik zo nu en dan verkering met Jaantje. Dan weer wel, dan weer niet. Toen het weer eens een keer aan was zei Jos But tegen me "En nu geen gedonder meer, straks zijn je tachtig en weten je nog niet wat je willen". Nu na korte tijd was het geen probleem meer. Jaantje vertelde dat ze in verwachting was, dus trouwen. Het was zoals ze dat toen noemden "een moetje". Van de zijde van onze ouders kregen we geen woord van verwijt, integendeel we werden op alle mogelijke manieren geholpen. Misschien waren ze wel blij dat het knipperlicht eindelijk op groen bleef staan. 17 oktober 1945 gaven we alkaar het jawoord. Daar onze predikant ds de Bie met vakantie was werd ons huwelijk ingezegend door ds Henk van Loon van Grijpskerke. Van ds de Bie ontvingen we het volgende telegram: "Zo werd de haven toch gevonden, na vele, vele bange stonden. De grote stuurman van omhoog houdt op u bei zijn wakend oog".

Daar we geen huis hadden gingen we bij moeder de Roo inwonen, achteraf bekeken geen ideale toestand.

April 1946 werd Willem geboren, een wolk van een jongen. Willem deed er lang over ter wereld te kornen. Van 's morgens vijf tot 's avonds zeven. Dr Versluis was onze huisarts, hij reed motor en zijn vehikel stond bij ons voor. Vader Willem liep wat heen en weer om te kijken of de motor er nog stond. Hij was nog zenuwachtiger dan ik. Vrouw Melse was de baker.

Anderhalf jaar later, 27 november 1947 kwam Joke om de hoek kijken evenals Willem een schat van een kind. Ze werd geboren in de kraamkliniek in Middelburg. "Rijke lui's wens zeide men dan, een jongen en een meisje. Hierna volgden nog verschillende miskramen en een doodgeboren kindje. Emotioneel heeft dan vooral een vrouw veel te verwerken, ik heb de grootse bewondering voor mijn vrouw op de wijze waarop zij dit alles doorstond.

Acht jaar later diende zich weer een baby aan. Na alle miskramen vond dr v.d Sluis het raadzaam een bloedproef te laten doen daar misschien de resusfactor in het spel was. Na bloedonderzoek bleek er niets aan de hand. Begin Januari zou de baby geboren moeten worden, daar Jaantje blaasontsteking kreeg vond dr v.d. Sluis het raadzaam, ook met het oog op de eerdere miskrmen de bevalling in het ziekenhuis te doen plaats vinden. De baby had echter geen zin te komen. Riek stelde haar huwelijk met Jo Tax veertien dagen uit maar geen baby, het had geen zin zijn warme nestje midden in de winter te verlaten. Eindelijk 18 januari 1955 had hij genoeg van het binnenzitten en kwam hij te voorschijn. Een schat van een kind, maar zo geel als safraan. Inderdaad bleek toch de resus factor in het spel te zijn en moest hij onmiddelijk nieuw bloed hebben. Daar men toen nog geen bloed in voorraad had werd ik opgespoord, ik was aan het lesgeven in Westkapelle. Op Vrouwenpolder enkele mensen gevraagd of ze bereid waren naar Middelburg te gaan voor bloed onderzoek en dit eventueel af te staan. Gelukkig waren alle mensen aan wie ik dit vroeg bereid te gaan. De bloedgroep van Jo Vlieger (Mevr. Hoefkens) bleek de juiste te zijn. Daar het toendertijd een nogal ingrijpende bedoening was dat toedienen van bloed moest ik in het ziekenhuis blijven, maar mocht met achterlaten van het telefoon nummer naar mijn vriend Ab Lichtendahl in Middelburg.


Een trouwe bezoekster in deze spannende dagen was Ditty Lichtedahl, de vrouw van mijn vrien Ab. Daar ik 's avonds koorrepetitie had ging ik 's middags op bezoek in het ziekenhuis. Elke avond ging Ditty met haar dochtertje Inge die toen net een half jaar oud was. In zo'n tijd merk je hoe belangrijk het is goede vrienden te hebben. Ook al zie je elkaar door drukke werkzaamheden niet zo vaak, je weet dat als je elkaar nodig hebt je op elkaar aankunt. Al met al was het niet alleen een spannende maar ook een drukke tijd, lessen koorrepetities en daar tussendoor naar het ziekenhuis en dat alles op de fiets dat nam nog al wat tijd. De naam Jan Willem werd gekozen door mijn vrouw en schoonmoeder, volgens de toen heersende mode had hij naar mijn schoonvader, Stoffel moeten heten. Beide vrouwen vonden dit dit echter een lelijke naam en vonden dat het kind Jan moest heten, daar had ik echter bezwaar tegen dan werd het de oude en jonge Jan of Jan en Jantje, dus Willem er achter geplakt. Merkwaardig genoeg noemen zijn collega en vrienden hem allemaal Willem zodat we twee Willems in ons gezin hebben.


De eerste tijd van ons huwelijk woonden we in bij mijn schoonmoeder, geen ideale toestand. Moeder kon nogal eens moeilijk doen als ze het niet naar haar zin had. Na enige tijd verhuisden we dan ook naar een zomerhuisje van ome Kees de Roo. Later verhuisden we naar het zomerhuisje van moeder de Roo, Duinrust. Het leven in een zomerhuis zo vlak aan de duinrand had hoewel heel plezierige kanten ook zijn minder prettige kanten. Daar er nog geen electriciteit was in de duinen moesten we het doen met een petroleumlamp. Zat je 's avonds lekker te lezen ging die vermaledijde lamp uit, of als je hem pas gevuld had begon hij te walmen. Voor water waren we op de pomp aangewezen. Er stonden toen nog maar een paar huisjes, op het Vroon liepen de koeien van de gebr. Francois. 's Nachts schurkten ze wel eens met hun lijven tegen het huisje. We hadden twee buren de familie Ostédie in een bunker woonden en de fam. van Keulen enkele huisjes verderop. Moeder de Roo verkocht het zomerhuis, het onderhoud werd te duur en we verhuisden weer naar het dorp. Vader de Roo had achter zijn huis houten kamers gebouwd om 's zomers meer te kunnen verhuren, later werden deze permanent bewoont door Teun en Ploon Sturm. Daar deze een huis in het dorp konden krijgen kwamen de kamers vrij en werd dit ons onderkomen. Daar het huis waar we woonden zeer oud was, het dak was zo slecht dat ik 's winters als het gesneeuwd had sneeuw van de zolder moest scheppen en moeder de Roo noch wij het onderhoud konden betalen werd het huis verkocht aan onze buurman aannemer de Vlieger. Na enkele jaren kreeg hij op een of andere manier een bouwvergunning, liet het oude huis afbreken en zette een nieuw. Wij werden de huurders. Tijdens de bouw van het nieuwe huis ging moeder de Roo naar de Noord-Oostpolder waar Jaap en Leen een boerderij hadden aan de Voorsterweg in Marknesse. Wij vonden gastvrij onderdak in enkele kamers van de hervormde pastorie bij onze vrienden Jan en Fen de Boer. Jaantje die het kantoorhouderschap van de p.t.t. van haar moeder had overgenomen hield kantoor bij mijn ouders thuis in de laagte. Jan Willem die toen zo anderhalf jaar oud was werd aan een touw gebonden daar we bang waren dat hij de weg op zou lopen. Vader vond dat maar niks en timmerde een hekje zodat hij vrij kon rondspringen. November 1956 betrokken we ons nieuwe huis. Wat een weelde eindelijk een normaal huis! Moeder de Roo kwam bij ons inwonen.


Onze kinderen groeiden voorspoedig op. Grote problemen met de opvoeding waren er nooit. Enkele kleine probleempjes zoals ze in ieder gezin met opgroeiende kinderen voorkomen. Het waren wat je noemt makkelijk op te voeden kinderen. Alle drie hebben ze hun plaats in de maatschappij gevonden. Harde serieuze werkers, door hun werkgevers hogelijk gewaardeerd. Wat vooral belangrijk is in het leven, ze wisten zich vrienden te maken. We zijn trots op onze kinderen. Mijn moeder zei wel eens "geld kunnen we je niet na laten de enige erfenis hard werken. Vergeet nooit plicht gaat voor genoegen." Onze kinderen handhaven dit principe. Bravo!


Broer Lein die net als ik niets voelde voor het bakkersvak werd knecht bij Lein Geldof in de Lepelstraat, schapen scheren en weet ik al niet meer. Later werd hij boeren arbeider, eerst bij Jo Maas later bij Jo zijn broer op "Rustenpolder". Na de oorlog werd hij opperman in de bouw. 29 Oktober 1947 trouwde hij met Suus Louwerse. Na twaalf en een half jaar werd daar een zoon geboren Marius. Lein was een harde werker.

Riek was het huis uitgegaan ze werkte als verpleegster in de Dr Willem van de Bergstichting in Noordwijk waar geestelijk en lichaamenlijk gehandicapten werden verpleegd. Zwaar werk maar ze deed het met plezier. De dag dat Jan Willem werd geboren trouwde ze met Jo Tax, een Middelburger die hier zijn vakanties placht door te brengen. Na bij Klaassen in Middelburg (ijzergieterij) gewerkt te hebben schakelde hij over op de bloembollenteelt en werd knecht bij Jan Boyenk. Daar Jan Boyenk totaal geen zakenman was verliep de zaak en kwam Jo op straat te staan. Hij kon direct aan de slag bij de gebr. Geldof, wegenaanleg en riolering. Na enkele jaren kon hij als draaier terecht op de Vitrite in Middelburg waar hij opklom tot baas van de werkplaats. Jo en Riek kregen hun eerste kindje, Magda, helaas had ze een open rugje, veel verdriet maar wat werd er door ons allen veel van dat kind gehouden. Later kwamen nog Marijke, Dimphna en Henk. Daar het met Magde steeds moeilijker werd, werd ze opgenomen in Zonneveld in Oostkapelle, zeven jaar oud stierf ze.


Onze huisbaas Gilles de Vlieger kwam in 1966 samen met zijn vrouw Pie en het molenaarsechtpaar de Visser om bij een auto ongeluk op de Zeelandbrug. Hoefkens, de schoonzoon van Vlieger werd onze nieuwe huisbaas. Daar hij al enige jaren kampte met een slechte gezondheid en hij het huis niet meer kon onderhouden konden wij het van hem kopen voor ƒ28.000. Na een hypotheek genomen te hebben werd het ons eigendom. In het gedeelte wat nu mijn werkkamer is werd het postkantoor gevestigd. Zowel 's morgens als 's middags was het kantoor enkel uren geopend, vooral in het zomerseizoen was het zeer druk. Daar ik dan net vakantie had deed ik zo goed en kwaad als het ging het huishouden. Bij het afwassen geassisteerd door een van de kinderen. Bij toebeurt.


Sinds 1947 was Dominee Jan de Boer predikant van Vrouwenpolder-Gapinge. Daar ik in Vlissingen een morgen en avonddienst speelde nam ik in Vrouwenpolder de middagdiensten waar. Om de twee weken had ik dus drie diensten op een zondag. Spoedig was tussen de familie de Boer en ons een hechte vriendschapsband ontstaan. 's Woendagsavonds kwam Fen bij ons scrabbelen, ik had dan koor op Westkapelle en Jan had catechesatie. Was de catechesatie afgelopen kwam hij ook naar ons en enige tijd later arriveerde ik na eerst bij Jobse in Oostkapelle crocetten te hebben gehaald. 's Zaterdags avonds als de kinderen op bed lagen togen wij naar de pastorie. Ook de vakanties brachten we gezamenlijk door, Duitsland, Frankrijk, Engeland. Eerst gingen de kinderen mee, later toen ze groter werden gingen ze zelfstandig op vakantie. Toen we voor de eerst keer gingen kamperen in Frankrijk, Bretagne, was ik net de bezitter geworden van een Fiat 500, een koektrommeltje zeiden ze wel. Ongelooflijk zo sterk als dat ding was. Twee volwassenen, drie kinderen, een imperiaal boven op met de kampeerspullen. Heerlijke tijden waren dat. Jan de Boer heb ik een keer heel lelijke dingen horen zeggen. Dat was op een camping in Frankrijk. We kwamen er niet zo vroeg aan en ik voelde me geroepen eens flink mee te helpen. Gooide de netjes gemerkte tentstokken door elkaar. Oei, oei dat was me wat. Voor de rest konden we het uitstekend met elkaar vinden. Veel lief en leed hebben we samen gedeeld.


Ab Lichtendahl en zijn vrouw Ditty hebben we leren kennen toen Ab pas afgestudeerd was en zich als muziekleraar in Middelburg vestigde. Ik vroeg hem voor een uitvoering met mijn koor in Domburg de piano begeleiding op zich te nemen. Deze kennismaking liep uit op een hechte vriendschap. Ab zei een keer tegen me "we hebben alle twee een druk bestaan, zien elkaar niet veel, maar zijn er moeilijkheden weten we dat we voor elkaar klaar staan". Toen hun dochter Inge ging scheiden belden ze op of ze eens konden komen praten. Natuurlijk kon dat. Ze kwamen hun verhaal doen en spraken uit hoe veel verdriet hun die scheiding deed. Toen ze weggingen sprak Ab boven geschreven woorden. Ook deze vriendschap duurt nog steeds voort.


Een heel ander figuur was Arie Joosse, evenals ik muziekleraar en dirigent. Muzikaal man, maar weinig geschoold. Primitieve denker. Zijn vrouw Cor lag ons niet zo een beetje klagerig figuur, die altijd meer wilde zijn dan ze was. Ze zat Arie dan ook altijd op te jutten. Was Cor er niet bij leerde je een heel andere Arie kennen. Hoewel we met hen verschillende fietstochten maakten, o.a. naar Noord en Zuid Beveland bleef de vriendschap toch wat oppervlakkig. Vooral in de opvatting over muzikale stijlen verschilden we hemelsbreed. Van kerkmuziek had hij, hoewel organist in Serooskerke totaal geen verstand. Arie had al een hele tijd last van ademhalingsmoeilijkheden. Januari 1972 ging zoals hij gewoon was de krant uit de bus halen, kreeg een benauwdheid en stierf. Bij zijn begrafenis heb ik op verzoek van zijn vrouw het orgel bespeelt. Met zijn vrouw hebben we nog, al is het oppervlakkig contact.


Jos en Betsie But. Zoals ik reeds schreef waren we enkele maanden bij Jos en Betsie in huis. Tussen Jos en mij onstond, hoewel hij twintig jaar ouder was dan ik, een hechte vriendschap. "Als je nog een keer meneer tegen me zegt geef ik je een schop onder je kont die je na zes weken nog voelt." Jos was dus schilder, vertelde me veel over kunst en kunstenaars zodat ik behalve voor muziek ook oog kreeg voor beeldende kunst. Een paar jaar na de oorlog verkocht Jos pension Kieviet aan de gemeente en ging wonen in de Schotse huizen in Veere. Enkele jaren later vertrok hij naar St. Anna ter Muiden waar hij een leuk huisje had gekocht. Elk jaar ging ik hem daar opzoeken. Fijne dagen waren dat. Hij exposeerde daar iedere zomer in het oude stadhuisje van St.Anna. Veel plezier hebben we samen gehad. In Vrouwenpolder was hij ook onbezoldigt ambtenaar van de burgelijke stand. Na de oorlog lagen op de zolder van het gemeentehuis goederen waaronder kleren opgeslagen. Ieder kon er wel iets van zijn gading vinden. Te koop was er weinig of niets. Jaantje en ik zouden ondertrouw doen dat moest bij hem. Toen we aan kwamen liep hij in de tuin met een kapelaansuitrusting aan in de tuin te brevieren. Doodernstig. Hij was Rooms opgevoed maar deed nergens meer aan "De mensen die naar de kerk gaan hebben een dikke tong van het woordje 'zonde'" placht hij te zeggen. Toen Betsie gestorven was kon hij het niet meer vinden, kwam terecht in het bejaardenhuis "Rozenoord" in Sluis. Verschillende malen ben ik hem daar op wezen zoeken. Op het laatst ging hij dementeren, kende me nog wel maar had hele verhalen over verkoop van zijn schilderijen bij beroemde veilinghuizen. Zielig iemand die zo onbevangen en vrolijk in het leven stond zo te zien aftakelen. Van zijn dood wist ik pas veel later. Door een vergissing had er alleen een advertentie gestaan in het Zeeuws-Vlaamse deel van de P.Z.C. Later zijn we nog bij zijn dochter op bezoek geweest in 's Graveland en hebben herinneringen opgehaald.


Ik merk nu echter dat ik de boel aardig door elkaar begin te gooien, schrijf over allerlei vrienden terwijl ik nog niet klaar ben met het familie verhaal. Het wordt nu toch een beetje chaotisch. Ik las eens van een schrijver, die voor hij aan zijn memoires begon, maanden lang op de bank ging liggen om alles eens te overdenken en in zijn gedachten te rangschikken. Ik heb daar echter geen tijd voor zo kan het wel eens gebeuren dat ik van de hak op de tak spring. We zullen proberen de draad weer op te pakken. Moeder de Roo overleed in Mei 1970 in het ziekenhuis in Middelburg. Het ging de laatste tijd niet zo goed met haar, ziekenhuis opname was noodzakelijk. Stil en rustig is ze gestorven, ze ging uit als een nachtkaarsje.

Vader had last van ademhalingsmoeilijkheden maar koppig als hij was wilde hij zijn werk niet opgeven. Steeds vaker moesten we bijspringen. Eindelijk na veel gepraat en een beetje dwang van moeder en ons verkocht hij de zaak. Graag hadden ze op Vrouwepolder blijven wonen, de plaats waar ze veel vrienden en kennissen hadden. Er was echter geen huis beschikbaar. Ze kochten toen een huisje in Middelburg, Volderijlaagte 17. Ook daar kregen ze spoedig weer vrienden en kennissen. Ook de mensen uit Vrouwenpolder vergaten de Hekhuizen niet en vaak gingen ze als ze in Middelburg waren een kopje koffie halen of zomaar voor een praatje.

Moeder werd ziek, het bleek kanker in de ingewanden. Ongeneeslijk. Toen ik hoord dat moeder ongeneeslijk ziek was heb ik denk ik voor het eerst sinds mijn kinderjaren flink gehuild. Wat hield ik veel van die vrouw. Tegenover ons haar kinderen heeft ze nooit enige angst voor de dood getoond, ze bleef de sterke vrouw die afscheid nam of ze met vakantie ging. Jan de Boer vertelde me later dat zij bij hem had uitgehuild. Toen kwam de berusting. 9 Mei 1974 overleed ze. Een sterke vrouw was heengegaan. Jan de Boer leidde de begrafenisdienst. Nooit heb ik de liederen die toen gezongen werden zo goed begrepen als toen. Vader bleef ontredderd achter. Nog een paar jaar heeft hij in zijn huisje gewoond. Op aandrang van de dokter is hij toen naar het rusthuis "Rustenburg" gegaan. Hij heeft daar nog een paar gelukkige jaren gehad. Er kwam een beging van dementie. Hij kon rustig tegen de mensen zeggen: "De jongens geven niks meer om me, ze komen nooit meer." Dat we er elke week heen gingen wisten de mensen gelukkig, ze zagen ons vaak genoeg. Uiteindelijk verval van krachten. Opgenomen in het ziekenhuis. De internist zei tegen me "Uw vader zal niet meer beter worden, we kunnen niets meer doen. Verdrietige boodschap. Vader vocht voor zijn leven, hij kon niet sterven. "Neem me mee naar huis" zei hij tegen me, "straks kom ik hier uit tussen zes plankjes." Hij had het ook altijd over twee rechtvaardigen die hem moesten komen halen, maar er was er maar één. De tweede daar wachtte hij op. Toen Jo Tax op bezoek was en aan het eind van het bed stond smeet hij hem een bord naar het hoofd en zei "Weg daar, daar moet een rechtvaardige komen" Heel trieste zaak. Als ik naar huis reed na een bezoek aan hem en hem had zien worstelen heb ik vaak gebeden "God laat mijn vader vannacht vredig sterven". Natuurlijk gebeurde dit niet. 2 December 1977 werden we 's morgens vroeg opgebeld uit het ziekenhuis dat vader stervende was. School en leerlingen afgebeld en naar het ziekenhuis. Eindelijk was de dood genadig en nam hem mee.


Op de dag na de begrafenis van vader, toen we zijn kamer in Rustenburg moesten ontruimen belde 's morgens om zes uur Jan de Boer dat Fen bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Terugkomend van een bezoek aan Jan Lodder in Kapelle werden ze bij de afslag Kamperland aangereden door een zwaar beschonken automobilist. Fen had haar nek gebroken. Ze was 62 jaar, weer een lege plaats en veel verdriet. Soms lijkt het of alles tegelijk komt. Jaantje was niet in staat boodschappen te doen, zodat ik die zaterdag de boodschappen heb gedaan.


Juli 1979 gingen we naar Amerika. Jaantje had daar neven en nichten, een paar broers en een zuster van moeder de Roo waren in 1912 naar Wisconsin geëmigreerd. Moeder de Roo schreef regelmatig met haar zuster. Na de dood van moeder de Roo nam Jaantje de briefwisseling over. Na de dood van tante Riek werd met nicht Ruth gecorrespondeerd, dit resulteerde in een uitnodiging naar Amerika te komen. Fantastische tijd. (Zie reis naar Amerika.)


Veel verdriet was er in 1981. Riek voelde zich al een hele tijd niet goed, moe, misselijk, lusteloos. Soms waren er dagen dat het goed ging maar uiteindelijk bleek na diverse onderzoeken dat ze leverkanker had. Opgenomen in Dijkzicht in Rotterdam, na enige tijd weer thuis. Je zag dat het niet goed ging.E en doffe wanhoop maakte zich van iedereen meester. Waarom moest Riek dit over komen? Riek die nog zoveel toekomstplannen had en zo van het leven hield. De tijd van het bekend worden van haar ziekte en sterven was er een van hoop en wanhoop. Als het iets beter ging hoopte je tegen beter weten in. Je hoopte op een wonder, terwijl je wist dat wonderen niet bestaan. Veel is er voor Riek gebeden. Het heeft niet mogen helpen. Ik herinner me dat ik in Vlissingen bij ds Hartjes op catechesatie was en hij een keer vertelde over het gebed. "Jullie zijn allemaal op een christelijke school, gaan naar zondagschool en lezen dikwijls christelijke boekjes. In veel van die boekjes wordt verteld dat iemand ziek is of vader aan de drank. Het hele gezin gaat bidden en ziet het wonder gebeurt, de zieke wordt beter en vader drinkt niet meer. Maar zo is het niet jongens, de praktijk leert wel anders. Onthoudt dit." Dit verhaal is me steeds bij gebleven daarom hecht ik ook niet zo aan het persoonlijk gebed. Als het zo zou zijn zou God een God van willekeur zijn, het ene gebed verhoren, het andere niet. Dat kan niet. Daarom kan ik me ergeren aan programma's van b.v. de E.O. waar ze mensen laten vertellen over hun gebeds verhoring. Waarom niet de honderden op laten draven waarbij het gebed niet verhoord is? Volksverlakkerij, zei ds Hartjes en ik ben het volkomen met hem eens.

Veel heb ik met Riek gepraat tijdens haar ziekte. Toen ze wist dat ze zou sterven heeft ze gehuild tot ze geen tranen meer had, vertelde ze me. Daarna kwam de berusting en de overgave. Maar wat een strijd heeft dat gekost. "Het is of er naast mijn bed een paar engelen staan" zei ze tegen me. Ook vertelde ze me dat ze eigenlijk al wist dat ze vroeg zou sterven. "Ik zat in de kamer en jij zat er ook en je zei, ik heb een zuster gehad die is jong gestorven en je haalde een overlijdensadvertentie uit je zak, ik hoorde het zo duidelijk zoals ik je nu hoor praten." Ze had dit verhaal ook verteld aan een Pakistaanse verpleegster in Dijkzicht en die had gezegd, in Pakistan hebben wij ook zulke ervaringen, we beschouwen dit als een boodschap en gaan er over mediteren. Maar hier in de westerse maatschappij waar alles even gehaast is, is daar geen tijd voor, ik merk het aan mezelf. Het klinkt misschien gek maar we hebben ook veel gelachen in die tijd. Gepraat, gehuild en gelachen.

9 juli 1981 overleed Riek, 48 jaar jong. Marijke was in verwachting van haar eerste kindje. Helaas heeft Riek de geboorte niet mee kunnen maken. Marijke had wel verteld hoe het kind zou heten. Een naam voor een jongen en een naam voor een meisje. Nog steeds heb ik bewondering voor de moed waarmee ze het onvermijdelijk onder ogen zag. Goede gesprekken hebben we gevoerd, toch dringt de vraag zich nog wel eens bij me op, ben ik niet tekort geschoten, had ik ze meer steun en troost kunnen bieden? Iemand die van zichzelf vond dat ze zeer christelijk was zei tegen me "U moet niet vragen, waarom, maar waartoe." Toen ben ik verschrikkelijk kwaad geworden, "met zulke praat kan ik niet uit de voeten" heb ik haar gezegd. Waartoe, waartoe, nergens toe. God heeft dit niet gewild. Dit sterven dient nergens toe, noch voor mijn zieleheil, noch voor dat van iemand anders, dit was geen vingerwijzing of wat dan ook.

's Zondags voor Riek haar begrafenis het orgel bespeeld in de doopdienst van het eerste kindje van Fen de Boer en Jan v.d. Velde. Veel emoties. Bij thuiskomst verschikkelijk gehuild. Bij de begrafenisdienst van Riek het orgel bespeeld, ze had het me gevraagd. "Je zou me er een groot plezier meedoen, maar als je denkt dat je het niet aan kunt moet je me het eerlijk zeggen. Vraag dan maar een ander, maar niet Arie Joosse want dan ben ik in staat om uit mijn kist te komen en hem op zijn fouten te wijzen." Heb dus het orgel bespeeld, zei het met bloedend hart. Jan de Boer had een prachtige preek naar aanleiding van een tekst uit psalm 34 vers acht "De engel des Heren legert zich rondom wie Hem vrezen en redt hen". De belangstelling bij de begrafenis was overweldigend. Riek was zeer geliefd - het sterven van iemand op jonge leeftijd grijpt je veel meer aan dan het sterven van b.v. je ouders. Natuurlijk is er ook veel verdriet, maar je weet niemand is onsterfelijk en eens komt de dag van het afscheid maar je bent er meer op voorbereid. Zelf denk ik ook wel eens over de dood. Als je zo half de zeventig bent is de toekomst niet meer zo groot.

Op en rond de orgelbank

Maart 1936. Terugblikkend na zoveel jaren ben ik geneigd te denken dat toen de grondslag voor mijn latere loopbaan werd gelegd. De organist van de hervormde kerk, Wattel, overleed en was er een vacature als organist. Daar men wist dat ik orgel speelde werd mij gevraagd deze plaats te willen innemen. Lang erover nadenken hoefde ik niet. Thuis als ik achter mijn harmonium zat droomde ik vaak dat ik een kerkorgel bespeelde. Het leek me heerlijk nu een echt kerkorgel te mogen bespelen. Nou ja, een echt kerkorgel. Het orgel in onze kerk was een oud kabinet orgel, de windvoorziening gebeurde door een aan de rechterzijde bevestigd pedaal dat met de voet bediend moest worden. Voor mij was het al heel wat. Van kerkmuziek of liturgie had ik totaal geen kaas gegeten. Alle psalmen en gezangen met voor-, tussen- en naspelen uit worp kon ik zonder fouten ten gehore brengen. Voor en na de dienst speelde ik dan uit de harmoniumboeken die ik had. Steenhuis, Reinhardt, Wenzel, enz. Zo werd ik dus op veertienjarige leeftijd organist. De toenmalige predikant ds H.M.J. van Duine zorgde ervoor dat ik vrijdags het orgelbriefje had zodat ik me kon voorbereiden. De hervormde gemeente van Vrouwenpolder vormde een combinatie met Gapinge zodat er altijd maar één dienst was. Om en om een middag- of morgendienst. Mijn honorarium bedroeg ƒ2.50 zegge en schrijve, twee gulden en vijftig cent per jaar. Maar daarom niet getreurd, ik was al blij dat ik op een kerkorgel mocht spelen. Daar het orgel steeds meer gebreken begon te vertonen en op het laatst haast niet meer te bespelen was werd een actie gestart om te komen tot aanschaf van een nieuw orgel. 1938 was het zover. Er werd een orgel gekocht bij de firma Valcx en Vercouteren in Rotterdam. Geen nieuwe maar een prima instrument met een mooie klank. Waar het oorspronkelijk vandaan kwam is nog steeds in nevelen gehuld. Het is een bescheiden orgel, één klavier en aangehangen pedaal van één octaaf. Jan Kwist, mijn oudleraar uit Vlissingen kwam het orgel in een feestelijke dienst inspelen. Ik had nu dus een orgel met pedaal en al kon ik met de vingers goed overweg met de voeten was het huilen met de pet op. Ik zwabberde wat over de pedaaltoetsen en sloeg dan per ongeluk wel eens een goede toets aan. Zeer onbevredigend. Ik besloot toen pedaallessen te gaan nemen en me verder te bekwamen in de edele kunst van het orgelspel. Mijn leraar werd Piet Broerse Jr. uit Serooskerke, een zoon van de eerder genoemde Piet Broerse Sr. een broer van opoe Blaas. Mijn leraar was toen organist bij de vrijzinnig hervormde gemeente in Middelburg. Elke week week kwam Piet op de fiets uit Serooskerke om mij verder in te wijden in de orgelkunst. Daar ik een ijverig leerling was, en ik schrijf dit zonder enige vorm van bescheidenheid, was ik spoedig uitgestudeerd op het kleine pedaal van het orgel. Toch wilde ik graag verder. Mijn ouders die zagen dat het mij ernst was kochten toen voor mij een pedaalharmonium. Daar ze niet kapitaalkrachtig waren werd dit op afbetaling gekocht, huurkoop, zeggen ze tegenwoordig. Ik ben ze er nog altijd dankbaar voor. Je bent gelukkig als je ouders hebt die bereidt zijn een offer te brengen voor iets dat toen nog zuiver als voor mijn plezier beschouwd werd. Dat het een offer was ga je je pas later realiseren. Daar ik mijn ouders niet teveel financieel wilde belasten ging ik les geven. Een advertentie in het kerkblad bracht mijn eerste leerlingen, verder ging het zoals men noemt van mond op mond reclame. Met het werk in de bakkerij, mijn leerlingen en de studie had ik een vrij druk bestaan. Ik heb toen wel geleerd mijn tijd te verdelen.

Al gauw kreeg ik het zo druk dat ik niet meer in de bakkerij kon helpen. Dit beperkte zich tot 's zaterdags en de dagen of liever gezegd de nachten voorafgaande aan de feestdagen. Het lesgeven lag me wel en ik besloot muziekleraar te worden. Hoe je tot zulke besluiten komt weet je soms zelf niet. Vader opperde eerst wel wat bezwaren, "hoe kun je nou in de muziek je brood verdienen, kunstenaars niks als armoe". Moeder stimuleerde het "een mens zijn lust is een mens zijn leven". Hoewel het voor vader wel een teleurstelling moest zijn dat geen van beide zoons iets voor het bakkersvak voelde heeft hij dit nooit laten merken. Zoals gezegd hielp ik tegen de feestdagen, samen met broer Lein nog wel in de bakkerij. 's Middags lesgeven, 's avonds koorrepetitie. Half elf thuis wat drinken en dan de bakkerij in. Ik deed toen alles nog op de fiets en het gebeurde wel in de winter dat ik na een nacht bakken in de winterkou op de fiets stapte om les te geven, bij een leerling in de warme kamer kwam en vreselijk slaap kreeg. Ik kon m'n ogen soms haast niet open houden, maar het lukte. Maar je was jong en na een nacht slapen was ik zo fris als een hoentje. We hebben wel geleerd wat werken is, altijd goed voor je latere leven. Moeder had de stelregel "Plicht gaat voor genoegen". Eerst je plicht, dan je pleziertjes, ik moet zeggen ik heb met deze stelregel nooit moeite gehad. Zoals reeds geschreven kon ik een behoorlijk stuk muziek spelen, tijdens de kerkdienst kwam alles er keurig uit. Maar daar bleef het bij. Waarom er een bepaalde volgorde in de dienst was en of het ook anders kon, daar stond je niet bij stil. Ook de predikanten spraken nooit over liturgie, dit was de volgorde van de dienst, zo is het altijd geweest. Punt uit. Piet Broerse was een uitstekend orgelleraar, maar ook hij had geen belangstelling voor liturgie. Misschien kende hij het hele woord wel niet. Juni 1940 behaalde ik het diploma kerkelijk orgelspel, dit was een zuiver practisch examen. Het vak liturgie bestond toen nog niet. In de oorlog kwamen de orgellessen wel op een laag pitje te staan. Toen Walcheren onder water stond was het natuurlijk helemaal gedaan. Na de oorlog besloot ik van leraar te veranderen en ging studeren bij Adr. Kousemaker, organist van de grote kerk in Goes. Bij hem volgde ik ook lessen in koordirectie. 1947 slaagde ik voor het koorleidersdiploma, in 1949 staatsexamen orgel, practisch, pedagogisch.

Bij Kousemaker werd wel over liturgie gesproken. Ook op de vergaderingen van de Nederlandse organisten vereniging waar ik lid van was geworden werden liturgische vraagstukken behandeld. Van mijn ouders kreeg ik voor mijn 20e verjaardag het boek "Liturgiek" van v.d. Leeuw. Dit boek was een openbaring, dat er zoveel vast zat aan de handelingen in de kerk. Later kocht ikzelf meer boeken op dit en op het gebied van kerkmuziek. Blij verrast was ik toen ik in het boek "Liturgie" van Vrijlandt, de naam van mijn oudleraar Kousemaker tegenkwam als een van degene die het belang van kerkmuziek en liturgie inzag en dat ook doorgaf aan zijn leerlingen. Ook Jan de Boer wordt er nog in genoemd als lid van de liturgische kring. Al lezend en studerend kwam ik tot de ontdekking van hoeveel belang een goede orde van dienst is in de zondagse samenkomsten van de gemeente.


Toen ik mijn loopbaan als organist begon werd er nog gezongen op z.g. hele noten, alle noten even lang dus. Ook tussen- en naspelen waren toen nog in de mode. Als aanvulling op de psalmen waren er de evangelisch gezangen, met een vervolgbundel. Hier kwamen de meest vreemdsoortige verzen in voor. Wat te denken b.v. van Gezang 177: "Stedelingen looft den Heer, Hoopt op ouden welvaart weer. Voor den koopman druk vertier, nering voor den winkelier. Bezigheid voor handswerklieden en voor armen schamel brood. God die ons zijn vree gebood, wil zijn heil daartoe gebieden. Mocht vooral ons hart van dank, gloeien al ons leven lank. Mocht voorvaderlijke deugd in den Nederlandse jeugd met den godsdienst weer herleven. Mocht hier spaarzaamheid en vlijt wonen als in vroeger tijd! Dat zou hoop op welvaart geven." Op soortgelijke liederen was veel verzet. In 1938 kwam de nieuwe psalmberijming met nieuwe gezangen. De psalmen wende nu zoals ze oorspronkelijk gezongen werden weer ingevooerd. Ritmisch d.w.z. op hele en halve noten. Ds v. Duine vroeg of ik op een gemeenteavond iets over het psalmgezang wilde zeggen. Ik hield een vurig pleidooi voor het zingen op hele en halve noten. Er werd toen ook geoefend. Ds v. Duine ook een voorstander van het ritmisch zingen ondersteunde mijn betoog en zo ging men op Vrouwenpolder zingen op hele en halve noten. Na ds. v. Duine kwam ds Jan de Bie en daarna Flip Valeton. Ook bij hen bleef alles op de oude voet doorgaan en werd het woord liturgie niet gebruikt. Je kreeg geen orde van dienst maar een z.g. "orgelbriefje".

1946 kwam er een vacature voor organist aan de Hervormde kerk te Souburg. Ik besloot te solicteren. Ieder solicitant werd uitgenodigd een kerkdienst te spelen. Ik werd benoemd en ruilde de orgelbank van Vrouwenpolder voor die van Souburg.

Nederlands Hervormde kerk Souburg (1946-1949)

Het orgel in Souburg is evenals dat in Vrouwenpolder een één-klaviersorgel met aangehangen pedaal. Het pedaal was groter. Wat registratie betreft lopen de orgels niet ver uiteen. Daar er twee diensten waren, 's morgens om tien uur en 's middags om twee uur kon ik tussen de middag niet naar huis, ik deed alles toen nog op de fiets. Bij ouderling Leinse, slager van beroep vond ik dan tussen de middag een gastvrij onthaal en een stevige middagpot. 's Morgens kwart voor negen stapte ik op de fiets en kwam 's avonds ongeveer half vijf thuis. Niet gezellig voor mijn vrouw, maar gelukkig stond ze volledig achter me. Trouwens er moest ook brood op de plank komen en de verdiensten waren nu niet zo geweldig.

Predikant was ds L.C. Spijkerboer, een man recht door zee die geen blad voor zijn mond nam. Zijn optreden getuigden nu niet altijd van veel tact. Het is dan ook, ik was er al weg, flink fout gelopen tussen de gemeente en hem. Het was een zeer muzikaal man, ik kon het dan ook goed met hem vinden. Hij kende alle psalmen en in een jaar tijd werden deze dan ook allemaal in de kerkdiensten gezongen. Waar vindt je dat?

Het eerste jaar dat ik er was gebeurde de windvoorzienig van het orgel nog door een handpomp. De oude heer Roelse bediende de pomp. Of hij die middag in slaap gevallen was of er geen zin meer in had weet ik niet, maar half de psalm zat ik zonder wind. Het geluid zakte langzaam weg en net toen het orgel bijna zonder wind zat begon hij weer als een wilde de pompen. Door allerlei valse geluiden heen kreeg het orgel weer z'n normale klank. Ongelukkigerwijs kwam de orgeltrap uit in de consistoriekamer zodat je altijd langs de dominee heen moest. Nou daar zwaaide wat voor de arme man. Spijkeboer was woedend.

Ook ik heb een keer een uitbrander gehad. Naar de mening van de eerwaarde had ik een gezang te langzaam gespeeld. Nou daar moest ik wat over aanhoren. Langzaam aan voelde ik me ook kwaad worden en waar ik de moed vandaan haalde weet ik niet maar ik zei: "Uw preek valt de ene keer ook wel eens wat beter uit dan de andere keer." Hij keek me aan en zei: "Nu ben ik donders en als je nu niet weggaat hebben we ruzie." Zonder hem een hand te geven ben ik onmiddellijk weggegaan. Na de middagdienst kwam dominee met uitgestrekte armen op me toe en zei: "Wat hebben we heerlijk gezongen." Dat was zijn excuus.

In een overvolle dienst viel er midden in de kerk een vrouw flauw. Consternatie natuurlijk. Het duurde nogal enige tijd voor men bij haar was en ik besloot wat op het orgel te spelen. Toen ik beneden kwam was ds al verdwenen. Enkele dagen nadien kreeg ik een briefkaart van hem waarop hij me bedankte voor het orgelspel. "U hebt daarmee veel onrust voorkomen. Ik had u willen bedanken tijdens de dienst maar men zou het toch niet begrepen hebben." Dit tekent wel de verhouding predikant - gemeente. Toen ds Spijkerboer een beroep kreeg hoopte een groot deel van de gemeente dat hij dit zou aannemen, hij bedankte. Vanaf de kansel maakte hij dit bekend. "De reden hiervoor" zo zei hij, "hoeft u niet te weten. U kunt hier in elk geval uit opmaken dat ik u nog niet beu ben."

Er werd een kerkkoor opgericht waar ik dirigent van werd. Cantor zoals dat officieel heet. Vaak hebben we in kerkdiensten gezongen, uiteraard alleen kerkmuziek. Psalm- en gezang bewerkingen en evangelie motetten. Mijn kennis van liturgie en kerkmuziek kwam hier goed van pas. Geregeld was er overleg tussen de predikant en mij.

De kerk in Souburg werd grondig gerestaureerd. Tijdens de restauratie werden de diensten gehouden in het hervormd ontmoetings centrum. De eerste dienst in de gerestaureerde kerk kan ik me nog goed herinneren. Voor de restauratie werden de plaatsen in de kerk verhuurd. De kerkeraad had besloten dat voortaan de plaatsen vrij zouden zijn. Ieder kon dus gaan zitten waar hij wilde. Volle kerk. En daar stond ds. Spijkerboer in al zijn glorie. Hij keek de kerk rond en zei: "Voor we aan de dienst beginnen moet mij eerst iets van het hart. Er is iemand in de gemeente die heeft gezegd niet meer in de kerk te komen nu de plaatsen vrij zijn." Theatraal legde hij zijn hand op de bijbel en zei: "Met mijn hand op Gods woord, ge zijt vervloekt." Het was doodstil in de kerk. Natuurlijk had hij zoiets nooit mogen zeggen, maar zo was hij.

Na de restauratie werd de middagdienst verplaatst naar de avond, zeven uur. Dit betekende tweemaal per zondag naar Souburg fietsen. Een poos heb ik dit nog gedaan. Toen er een vacature in Oostkapelle kwam soliciteerde ik en werd aangenomen.

Oostkapelle (1949-1960)

De eerste dienst die ik in Oostkapelle speelde zal ik niet licht vergeten. Toen ik na het beëindigen van de dienst de orgeltrap afkwam stond er een ouderling me op te wachten. "U speelt veel te vlug, als u dat op Arnemuiden had gedaan kon u met de politie naar huis" zei hij. "U zult er toch aan moeten wennen", zei ik, "Daar dit het tempo is waarin de psalmen en gezangen gezongen moeten worden." Hij keek me eens aan en verdween. Predikant was ds E.R.O. Richard, een beste man maar geen kracht figuur zoals ds Spijkerboer.

Tussenspelen tussen de verschillende coupletten maakte ik allang niet meer, het houdt de gemeentezang maar op. In Oostkapelle was men gewend tussen ieder vers een tussenspel te horen. Men wilde dat schijnbaar zo houden. Althans volgens de kerkeraad. Ik kreeg een brief waarin stond dat er gemeenteleden waren die klaagden dat er geen tussenspelen meer gespeeld werden. Ik heb toen teruggeschreven dat ik graag op de eerstvolgende gemeenteavond wilde komen praten over muziek in de kerk en de reden uiteen wilde zetten waarom ik geen tussenspelen maakte. Nooit meer iets gehoord maar op het orgelbriefje stond wel iedere week "TUSSENSPELEN". Kijk dominee was gedekt.

Tijdens de kerkrestauratie werd er dienst gehouden in het verenigings gebouw. Ik speelde daar op een harmonium dat vooraan in de zaal geplaatst was, zodat men mij niet alleen hoorde maar ook zag. Kreeg ik een brief van een gemeentelid die niet onverdienstelijk in de plaatselijke fanfare tuba speelde. Hij had gezien dat ik de voorspelen niet van blad maar uit het hoofd speelde en dat kon nooit goed zijn want onze dirigent zegt, "uit het hoofd spelen is uit de boze." Keurige brief terug geschreven dat wat het gezegde van de dirigent betreft de brave man dit nooit gezegd kon hebben, toevallig ken ik hem heel goed, het is een broer van mijn leraar. Bovendien speelde ik niet uit het hoofd maar improviseerde en het leren improviseren hoort bij de opleiding van de organist. Mocht hij niet weten wat improviseren is moet hij dat dan maar eens aan zijn dirigent vragen. Nooit meer iets gehoord. Sommige mensen denken overal verstand van te hebben. Gelukkig waren er ook mensen die mijn spel waardeerden en dat ook lieten merken.


Natuurlijk waren er ook grappige dingen. Voor het orgelfront stonden drie houten beeldjes. In het midden koning David aan de zijkanten twee allerliefste engeltjes. Tijdens het orgelspel voor een middagdienst hoorde ik iemand met veel gestommel de orgeltrap opkomen, bevend stond hij naast de orgelbank met in zijn hand koning David. "Kijk eens," zei hij stotterend van schrik "die viel naar beneden rakelings langs me heen, hij had wel op mijn hoofd kunnen vallen." "Ik kan het ook niet helpen," zei ik, "leg maar neer." Het beeldje werd op de orgelbank gelegd en al mopperend ging hij naar beneden om zijn plaats weer op te zoeken. Het is me nog nooit duidelijk geworden waarom hij naar het orgel kwam. Hij zal toch niet gedacht hebben dat ik het naar beneden had gegooid?


We waren bevriend geraakt met de gereformeerde predikant van Gapinge, Jan Spoelsta en zijn vrouw Greet. Jan was zeer muzikaal en had orgelles van me. Ik bleef daar 's avonds ook wel eens eten. Een keer had hij bezoek, een man of vier daar het na de les etenstijd was en ik nog meer leerlingen had dus niet naar huis kon werd mij gevraagd of ik mee wilde eten. Na afloop van de maaltijd zei Jan, "misschien wil Jan wel met ons eindigen?" Ja wat kon je anders doen dan hier gehoor aangeven. Ik hoopte dat hij me zoiets niet meer zou vragen en nam me voor dat als er weer eens bezoek was ik wel een smoes zou verzinnen om niet te blijven eten.


Op een zondagmiddag zouden we op bezoek gaan bij hen. Daar ik een middagdienst op Oostkapelle had ging mijn vrouw vanuit Vrouwenpolder op de fiets er heen ik zou dan vanuit Oostkapelle er naar toe fietsen. Even buiten Oostkapelle merkte ik dat er iemand achter me bleef fietsen. Voorzichtig keek eens om en zag een jonge vrouw die steeds op afstand achter me aan fietste. Reed ik wat langzamer deed zij dat ik, fietse ik wat vlugger zette zij ook de pedalen wat aan. Ik kreeg al visioenen van een stille aanbidster die te verlegen was om me aan te spreken. Serooskerke, Gapingese weg op en nog steeds was ze daar. Bij depastorie in Gapinge aangekomen stapte zij evenals ik van de fiets. "Nu zul je het hebben", dacht ik, "een liefdesverklaring en dat op zondagmiddag na een kerkdienst." Een koude douche. "Meneer kunt u me zeggen waar pension Duinoord is?" "Jawel, zei ik, "dat is in Vrouwenpolder en hier bent u op Gapinge." "Nou dat is ook wat, ik was op Oostkapelle moest naar Vrouwenpolder en vroeg aan een mevrouw de weg naar Vrouwenpolder. Rijdt u maar achter die meneer aan dat is onze organist en die woont in Vrouwenpolder, vandaar dat ik steeds achter u aanfietste." Ik vertelde hoe ze in Vrouwenpolder moest komen. Gelukkig kwam er niemand van Vrouwenpolder voorbij, anders had ik misschien gezegd rijdt u daar maar achteraan en veronderstel dat hij of zij naar Veere was uitgeweken.


1960 was er een vacature in Vlissingen aan de Johanneskerk. Met nog zes anderen soliciteerde ik en werd na vergelijkend orgelspel aangenomen. Behalve spelen moest ik ook nog een soort theorie examen afleggen. Met plezier had ik ondanks de strubbelingen in het begin op Oostkapelle gespeeld, maar ik wilde wel eens een groter orgel en Vlissingen was tenslotte mijn geboorteplaats, de kerk had bovendien een twee klaviersorgel met vrij pedaal zodat ik ook de grote orgelwerken zou kunnen spelen. Vlissingen werd mijn vierde en laatste plaats.

Johanneskerk Vlissingen (1960-1995)

Eindelijk een tweeklaviers orgel met vrij pedaal. Drie-en-twintig stemmen. Een pracht orgel, gebouwd door de firma van Dam uit Leeuwarden. In 1904 had de hervormde gemeente dit ten geschenke gekregen van de Fam. Blum-de Niet, ter gelegenheid van hun 25 jarig huwelijksfeest. Een koperenplaat met inscriptie aangebracht boven het klavier herinnert nog aan de goede gevers. Het werd geplaatst in de Nieuwe Kerk aan de Nieuwestraat. Het orgel kende ik. Verschillende malen heb ik de organist dhr. Schidt mogen vervangen. Dat was feest. Had ik net dienst op Vrouwenpolder belde ik half Walcheren af voor een vervanger. Dit lukte wonderwel altijd. Ik geloof dat de solidariteit toen veel groter was dan nu.

Daar Vlissingen zich in noordelijke richting uitbreidde en twee kerken in het centrum toch wel te veel van het goede was, werd in Noord de Johanneskerk gebouwd. De Nieuwe Kerk werd afgebroken en het orgel in de Johanneskerk geplaatst. Daar het oude front niet in een modern kerkgebouw paste werd een een nieuw front gemaakt, aangepast aan de kerk. Erg mooi kon ik het niet vinden.

De fiets was inmiddels vervangen door een brommer, wel een vooruitgang, maar wat een ellende kon je met zo'n ding hebben. Vuile bougie, ketting die er afliep, enz. Op een oudejaarsavond kreeg ik pech vlak bij Middelburg. Fietsenhandel opgezocht, brommer neergezet en op geleende brommer naar Vlissingen. Daar aangekomen hoorde ik de gemeente zingen, aanvangspsalm. Iemand in de kerk aanwezig wilde op verzoek van de kerkeraad wel eens proberen de gemeente te begeleiden. De goede man had nog nooit een kerkorgel bespeelt. Wat was hij blij toen hij me zag.

Er werden twee diensten per zondag gehouden. 's Morgens half tien en 's avonds vijf uur in de winter- en zeven uur in de zomertijd. Veel dominees heb ik zien komen en gaan ik zal ze niet allemaal noemen, trouwens van verschillende weet ik de namen niet meer. Ds. v.d. Schoot was een van hen. Tijdens een dienst gaf ds als te zingen lied op Gezang 13a, dit stond ook op mijn briefje. Volkomen onbekend. Keurig met uitkomende stem voorgespeeld, de gemeente begon aarzelend te zingen. Na de eerste regel ging het lampje boven de speeltafel branden ten teken dat ik op moest houden. "Lieve broeder organist we moeten gezang 13 a zingen." "Beste dominee ik speel gezang 13a." Enige ogenblikken stilte waarin ds in zijn liedboek keek. "Lieve broeder organist, ik was mis het moet gezang 13b zijn." Uit volle borst werd gezang 13b gezongen. Daar ik 's middags geen dienst had speelde ik de middagdiensten in Vrouwenpolder. Om de week had ik dus drie diensten. Predikant was in Vrouwenpolder toen ds Jan de Boer. In deze diensten heb ik geleerd wat liturgie vieren betekent. Theoretisch wist ik er al heel wat van maar nu beleefde ik het practisch. Jan de Boer is een liturg "pur sang". Alle handelingen die hij verrichtte tijdens de kerkdiensten waren als vanzelfsprekend en verantwoord en kwam voort uit het besef "dienaar" te zijn. Het woord liturgie komt trouwens van het Griekse litourgia wat "dienst aan" betekent. Jan de Boer weet wat dienen en vieren is. De liturgie werd gevierd.


Tweede kerstdag was het altijd kerstfeestviering van de zondagschool in Vlissingen. Ik had het wel druk die dag. 's Middags was het kerstfeestviering op de stichting "Vrederust" in Bergen op Zoom, waar ik als muziektherapeut verbonden was. (Daarover straks meer.) Vijf uur afgelopen. In de trein naar Middelburg boterham eten en dan op de brommer naar Vlissingen. Half zeven begon de viering daar en duurde tot half negen. Je begrijpt niet dat dat zolang moet duren. Het schijnt of iedereen op zo'n avond z'n zegje wil doen. En dan het kerstverhaal er kwam geen eind aan. Soms begreep ik van mezelf niet dat ik het nog met plezier deed.


Na zoveel jaar organist te zijn geweest ben ik er wel achter dat organist zijn niet een vrijblijvend iets is, geen vrijetijds besteding. Men moet zich behoorlijk voorbereiden. "Ook een organist heeft een gemeente" schreef Prof. v.d. Leeuw. Ik heb dat altijd zelf ook zo gevoeld. Ik had dus anderhalve gemeente. Vlissingen ieder zondag en Vrouwenpolder om de week. Bij de begrafenis van mijn vriend en collega, Arie Joosse, zei Jan de Boer, die de dienst leidde o.a. "Ik vergelijk het gezin van de organist, kerkmusicus altijd met het gezin van een predikant. Altijd is daar de voorbereiding en 's zondags moet altijd rekening gehouden worden met de kerkdiensten. Kan een gewone kerkganger eens thuis blijven, de organist moet er evenals de predikant zijn." Gelukkig beschouw ik mijn orgelspelen in de kerk niet als MOETEN, maar als MOGEN. Ik moet het orgel niet bespelen, maar ik mag het orgel bespelen.


In de kerk hoort kerkmuziek, op dit standpunt heb ik altijd gestaan. In een dancing hoor je dansmuziek, in de bioscoop filmmuziek en soldaten marcheren op marsmuziek. Welnu in de kerk hoort kerkmuziek. Opwekkingsliederen zoals uit de bundel van Joh. de Heer zal ik tijdens de kerkdienst niet spelen. Uitgezonderd op een begrafenis als de familie er om vraagt. Dan kunnen er emotionele gevoelens in het spel zijn.

Toen we een nieuwe dominee in Vlissingen kregen moest ik op kennismaking bezoek. Bij het genot van een heerlijk koffie zei zijn vrouw tegen me "Moet u eens horen mijn oom was ook dominee en die had een organist die het vertikte liederen uit Johan de Heer te spelen tijdens de dienst." "Een man naar mijn hart" zei ik, "ik doe het ook niet, het zou voor mij een reden zijn ontslag te nemen." Dominee heeft de wenk begrepen en nooit enige poging ondernomen. Wel gebeurde het wel eens dat een gastpredikant orgelspel na de preek opgaf en dan noemde hij een of ander lied uit Joh. de Heer. Ik heb dit steeds geweigerd. Sommige hadden er begrip voor, andere waren een beetje boos. Maar dat mag de pret niet drukken.


De verstandhouding met verschillende predikanten is altijd goed geweest. Natuurlijk waren er wel eens wrijvingen, maar een echt conflict heb ik nooit gehad. Met sommige predikanten had je een goed contact, andere zag je alleen als ze op de preekstoel stonden. Dat je ze zag was niet zo erg, maar je hoorde ze nog ook. Soms dacht ik wel eens als ik zo'n dominee hoorde "had maar een ander broep gekozen". Zo las ik eens van een organist en dominee die elkaar niet konden uitstaan (erg lijkt me dat). Ze deden dan ook hun uiterste best elkaar nooit te ontmoeten. Maar ja, je noodlot kun je niet altijd ontlopen. Op een receptie kwamen de heren elkaar tegen. Uitwijken ging niet. "Ook toevallig dat ik u hier zie", zei de dominee, "maar om eerlijk te zijn hoor ik u liever dan dat ik u zie." De organist die behalve een goed organist, ook goed van de tongrien gesneden was zei: "Bij mij is het andersom, om eerlijk te zijn, ik zie u liever dan dat ik u hoor."


Belangrijke personen zijn ook de kosters. Ik dank dat het beroep van koster vaak onderschat wordt. Zij zorgen dat alles in de eredienst vlekkeloos verloopt. Vier kosters heb ik meegemaakt. Vos, Breas, Kreft en Meulmeester. Kreft was een muzikale koster. Gelukkig. Zolang ik organist ben was altijd het eerst lied in de dienst een psalm. De intochtspsalm. Een gastpredikant had als eerste lied gezang 138 opgegeven. Het was een automatisme geworden om als eerste lied een psalm te spelen, niet goed gekeken dus. Ik begon aan een voorspel voor psalm 138. Komt Kreft naar boven gevlogen "U speelt een voorspel van ps. 138 maar we moeten gezang 138 zingen." Bliksemsvlug zocht hij het voor me op en ik switste naar een voorspel voor het gezang. Ik geloof niet dat iemand iets heeft gemerkt, heb er tenminste nooit iets over gehoord. Alles kwam op z'n pootjes terecht. De tegenwoordige koster en zijn vrouw, Meulmeester zijn zonder tekort te doen aan de vorige kosters, koster in hart en nieren. Iedere zondagmorgen is er een kopje koffie voor de dienst begint. Ik vind dat wel prettig. In de consistorie kamer spreek je dan de dominee en de kerkeraadsleden. Dit schept een band. Sinds ik met ademhalingsmoeilijkheden kamp en door de medicijnen die ik gebruik vaak een droge mond heb staat er altijd een kan water op het orgel. Ook als ik in de kerk ging studeren door de week was er een kopje koffie. Meelevend kosters echtpaar.


Waren er in het begin zoals ik reeds schreef twee diensten per zondag in de Joh. kerk bij het samen op weg proces werden de avonddiensten samen met de gereformeerden gehouden. Om en om in de Joh. en Petrus kerk. Om de week had ik nu een vrije zondagavond. Het bezoek werd echter steeds minder, kwamen er in het begin nog een zestigtal mensen na enkele jaren was dit gereduceerd tot ongeveer vijftien. Zowel van hervormde als gereformeerd zijde besloot men met de avonddiensten te stoppen. Daar bij het vertrek van Jan de Boer op Vrouwenpolder alleen nog morgendiensten werden gehouden speelde ik nu dus elke zondag maar één dienst. Had ik een vrije zondag speelde ik in Vrouwenpolder.


Naast de wekelijkse kerkdiensten heb ik veel rouw- en trouwdiensten gespeeld. In de rouwdiensten werd meestal beter gezongen dan in de trouwdiensten.


Hoogtepunten in mijn organisten bestaan zijn zeker de kerstnachtdiensten en de paasvroegdiensten. De kerstnacht dienst zorgde voor overvolle kerk, de paasvroegdienst was altijd matig bezet. Het valt ook niet mee half vijf uit je bed te moeten komen voor een dienst die om halfzes begint. Gelukkig heb ik daar nooit moeite mee. Een wekker gebruik ik nooit.


Maart 1986 was het vijftig jaar geleden dat ik als veertienjarig jongetje voor het eerst de gemeentezang begeleide. Zowel in Vlissingen als Vrouwenpolder werd dit in feestelijke kerkdiensten herdacht. Veel geschenken en natuurlijk lovende woorden. Van de kerkeraad in Vlissingen kreeg ik het orgelboek met alle gezangen met voorspelen. In Vrouwenpolder op mijn verzoek "Lexicon van de Nederlandse letterkunde". Van de vereniging van kerkvoogdijen was er een oorkonde met gouden speld. Mijn dankwoord heb ik gehouden onder de titel "houdt dan de lofzang gaande". Schrijvend aan mijn dankwoord realiseerde ik me dat er eigenlijk nergens zo goed en met zoveel verscheidenheid aan liederen gezongen wordt als in de kerk. Op het voetbalveld komt men niet verder dan olé of de zilvervloot, zelfs het Wilhelmus komt er maar miezerig uit. In de kerk weet men wat zingen is, wat de lofzang inhoudt. In Vrouwenpolder was er een klein boeremannetje die zong de sterren van de hemel. Ds de Bie zei eens tegen me: "De ouwe Franke zingt zijn longen uit zijn lijf" Hij wist wat het betekende de lofzang aan te heffen.


Vijftig jaar ,wat een lange tijd. Zou ik de zestig jaar halen. Dat zou mooi zijn.In ieder geval begon het er al aardig op te lijken toen in 1995 het bericht kwam dat met ingang van 24 september de Johanneskerk dicht ging. De wijk was aan het vergrijzen en er was geen geld meer. 24 September overvolle kerk, laatste dienst. Toch een dienst vol weemoed. 35 jaar lang had ik hier het orgel mogen bespelen. Banden aangeknoopt met gemeenteleden en leden van de kerkeraad, het was zo'n beetje mijn kerk en mijn orgel. Na de dienst heb ik samen met Bram Beekman de organist van de Jacobskerk een concert gegeven. De president kerkvoogd sprak waarderende woorden en bood mij een prachtige foto aan van het orgel. Er waren ook bloemen van gemeenteleden. Wel fijn, maar toch jammer dat het op deze manier moest gebeuren.

Mevr Kwekkeboom, oude leerling van me heeft vijftien jaar het orgel in Vrouwenpolder bespeeld. Ze was blij dat ik het van haar overnam, het werd toch een belasting voor haar. Zo is nu dus de cirkel gesloten, Vrouwenpolder, Souburg, Oostkapelle, Vlissingen. Voor de grap zeg ik weleens "Menig dominee zal niet zoveel plaatsen gehad hebben dan ik".

Maart 1996. Zestig jaar organist. Propvolle kerk. Jan de Boer leidde op verzoek van Jaantje de dienst. Na afloop receptie. Nou dan voel je hemd wel. Weer een oorkonde van de Ver. van kerkvoogdijen en een gouden speld, ik denk dat ze voor zestig jaar niets hebben. Er waren afgevaardigden van de Herv kerk-en Ger. kerk uit Vlissingen, ook veel vrienden. Prachtig om zo'n mijlpaal te mogen bereiken. Alle kinderen en kleinkinderen met aanhang waren er ook. Reden tot grote dankbaarheid. Nu op naar de vijf-en-zestig, zal ik het halen? Ik hoop het, maar je moet tot slot van zaken niet het onderste uit de zak willen halen. Haal ik het niet, ook goed. Maar toch........

De Lespraktijk

Mijn moeder vertelde me eens dat toen ik een jaar of tien was en men vroeg wat ik wilde worden het antwoord steevast was, dominee. Op de vraag waarom gaf ik dan ten antwoord "dan mag je zomaar bij de mensen binnenlopen". Vader zat namenlijk in de kerkeraad en kwam de dominee op bezoek drukte hij op de bel en stapte zomaar naar binnen. Waarom weet ik niet maar ik vond dat geweldig zomaar bij de mensen naar binnen stappen. Wat betreft het naar binnen stappen na een druk op de bel heb ik mijn zin gekregen. Bij leerlingen waar het mogelijk is stap ik na een druk op de bel naar binnen. Geweldig vind ik het niet meer, doodgewoon.

Het vak van leraar is een boeiend vak. Of het nu geschiedenis, wiskunde, muziek of een ander leergebied is, het overdragen van kennis is, hoewel niet altijd gemakkelijk een boeiende bezigheid. Toen ik les ging geven was ik achttien jaar en had net mijn diploma kerkmuziek gehaald, maar wat wist ik af van lesgeven? Hoe moest je het aanpakken met leerlingen die verlegen waren b.v. of die niet wisten hoe te studeren? Ik besloot mijn leraren als voorbeeld te nemen maar dan had ik alleen mezelf als voorbeeld. Het boek van Louis Metz gekocht "Het muziekonderwijs onder de loupe". Hij schrijft o.a. "De taak van de muziekleraar is niet beperkt tot het bijbrengen van de nodige theoretische kennis en instrumentale vaardigheid. Gedurende de lesperiode heeft hij te maken met schoolgaande kinderen, opgroeiende meisjes en jongens en volwassene. Iedere groep heeft zijn eigen geestelijk patroon, heeft specifieke reacties en moet op een bepaalde manier tegemoet getreden worden. De muziekleraar zal zich dus evenals iemand die b.v. voor schoolondewijzer studeert met de psychologie (en in het bijzonder de ontwikkelingspsychologie) bezig moeten houden, wil hij ondanks zijn kennis en kunde als musicus niet tekort schieten zich bezig moeten houden met de psygische structuur van zijn leerlingen. Iedere leerling heeft zijn eigen karakter en temperament. Het temperament is aangeboren, maar karakter is aan groei/vorming en verandering onderhevig."

Nou dat is me nogal wat. Ik zag nu wel in dat lesgeven net zo moeilijk is als het instuderen van een fuga van Bach. Ik kocht nog enkele boeken over psychologie en karakterkunde en probeerde zo inzicht te krijgen in de zieleroerselen van de mensen die zich aan mij hadden toevertrouwd. Maar al spoedig kwam ik er achter dat theorie en praktijk heel verschillende dingen waren. Men leert pas in de praktijk met vallen en opstaan. Zo heb ik ook veel van mijn leerlingen geleerd. Een van de eigenschappen die je als leraar hebben moet is "geduld". Geduld om leerlingen te helpen moeilijkheden te overwinnen. Geduld, ook al ben jezelf eens wat moe om rustig te reageren op soms domme fouten. Geduld om bemoeizieke en beter wetende ouders te overtuigen van hun ongelijk. Kortom geduld om alles te doen wat noodzakelijk gedaan moet worden. De leeftijd van mijn leerlingen varieert van zeven tot zeven-en-zeventig jaar en of het nu jonge kinderen zijn of mensen op leeftijd, iedere leeftijd heeft zijn eigen bekoorlijkheden.


Wat maakt het omgaan met mensen eigenlijk zo boeiend? Is het het ontdekken van zijn zwakke plekken, zijn tekort komingen of juist zijn sterke kanten, zijn optimistische of juist zijn pessimistische kijk op het leven? Ik denk al die eigenschappen bij elkaar maakt het omgaan met mensen zo boeiend.

Lesgeven doe ik altijd bij de mensen aan huis. Vrouwenpolder is te klein om een lespraktijk op te bouwen, de leerlingen moet je dus ook op andere dorpen zoeken. Je ziet niet zo gauw een leerling van b.v. Westkapelle of Domburg naar Vrouwenpolder komen om muziek lessen te volgen. Bovendien ben ik er de man niet naar een hele dag op mijn leskamer door te brengen, leerling komt, leerling gaat. Nee ik moet er eens uit kunnen, les bij de mensen thuis dus. Het voordeel vind ik ook dat je de gezinnen leert kennen waar je leerling deel vanuit maakt. Hoe dikwijls bestaat het contact tussen leraar en ouder niet alleen in het betalen van het lesgeld en dat wordt dan ook nog gegireerd. Ook gebeurt het vaak dat ouders pas contact met de leraar opnemen als de vorderingen beneden de verwachting blijven. De invloed van de ouders op de leerlingen moet men niet onderschatten, zij kunnen hun invloed doen gelden op de ontwikkeling van het kind. Daarom is het van groot belang dat er een goede verstandhouding is tussen ouders en leraar. Mede daarom vind ik het belangrijk aan huis les te geven. Er is dan voortdurend contact met de ouders en kun je waar nodig een beetje bijsturen.


Zoals reeds gezegd varieert de leeftijd van mijn leerlingen nogal. Een wereld van verschil. Bij kinderen begin ik bij de eerste les meestal met wat vragen, welke groep ze op school zitten, of ze graag naar school gaan, broertjes of zusjes hebben enz. Het ijs is dan meteen een beetje gebroken. Sommige zijn wat verlegen en geven wat schuchter antwoord. Ken je ze wat langer en is de verhouding goed komen ze vanzelf met verhalen, over school, over een dier dat ziek is, nieuwe kleren die ze hebben gekregen, hun kamer is door vader geschilderd en behangen en dan moet meneer mee naar boven om te kijken. Er zijn ook al heel wat tekeningen voor me gemaakt. Allemaal ontzettend leuk. Maar er moet ook gestudeerd worden. Och, och, wat kan dat tegenvallen. Vol moed wordt aan de piano- of orgelles begonnen, maar dan komen de moeilijkheden. Studeren is bij velen een zwak punt, ook dat moet geleerd worden. Meestal spelen ze bij het studeren hun lesje door van begin tot einde en snappen niet dat de moeilijke gedeelten dan altijd onder de maat blijven. Honderd keer kun je zeggen stukje bij beetje studeren en niet verder gaan voor je je die maat kent, maar wat is dat moeilijk. Sloddervossen zijn er ook, die spelen rustig over fouten heen, nemen niet de moeite het te verbeteren. Vaak schrijf ik dan in hun schrift, KIJKEN, DENKEN, SPELEN. Gelukkig heb ik een eindeloos geduld maar dat heb ik wel moeten leren. Enkele leerlingen gaan na verloop van tijd begeleiden op zondagschool of jeugdclub. Ook heb ik genoegen gesmaakt dat leerlingen in kerkdiensten gingen spelen. Leerlingen van mij speelden in de Hervormde kerk te Domburg, Westkapelle, st. Laurens, Gapinge en in de Gereformeerde kerken in Gapinge, Oostkapelle, Meliskerke. In Vrouwenpolder spelen in alle drie de kerken leerlingen van me. Leen de Broekert heb ik klaar gemaakt voor het conservatorium, thans is hij organist aan de Koorkerk in Middelburg en geeft concerten in binnen- en buitenland. Waar ik ook trots op ben is, dat sinds ik in Vrouwenpolder als organist weggegaan ben al die tijd de orgelbank bezet is door leerlingen of oud-leerlingen van mij. Zijn leerlingen zover dat ze een behoorlijk stuk muziek spelen denk ik "Ziezo, dat hebben we samen toch maar bereikt."


Het lesgeven aan volwassenen vergt een heel andere instelling dan aan kinderen. Meestal heeft een volwassene die tot de muziekstudie besluit al een muzikale ontwikkeling doorgemaakt b.v. luisteren naar radioplaten, c.d.'s of door het bezoeken van concerten. Vaak wordt me gevraagd zijn mijn vingers niet te stijf, zou ik het nog wel leren, ben ik niet te oud? Nou dat valt nogal mee. Belangrijk is de instelling van de leerling, of ze er plezier in hebben. De oefeningen pas ik wel aan bij de leeftijd, niet al te kinderachtige oefeningetjes. Spelen ze eenmaal een liedje zijn ze er blij mee en daar gaat het om, het plezier van zelf muziek maken, de voldoening als bepaalde moeilijke grepen toch in de vingers komen als bepaalde technische moeilijkheden zijn overwonnen, wat een genot niet alleen voor de leerling maar ook voor mij. Natuurlijk zijn er ook die afhaken, die het niet meer zien zitten. Ik heb altijd medelijden met kinderen die zonodig moeten van hun ouders, men denkt dat het bij de opvoeding hoort, hier helpt geen praten tegen, ik probeer ze dan zo goed mogelijk op te vangen in de hoop dat ze er toch nog een beetje plezier aan beleven. En waarachtig het lukt nog wel eens ook.


Mijn leerlingen en koren waren verspreidt over heel het noordelijk deel van Walcheren. In het begin ging alles op de fiets. Het lesgeld bedroeg ƒ5.- per maand en het honorarium op de koren ƒ25- per repetitie. Het was al bij al geen vetpot. Je was blij als het het eind van de maand was. Maar zo vlak na de oorlog had iedereen het niet breed. Zo kon het gebeuren dat als het betaaldag was moeder niet thuis was of zich niet liet zien. Had je veel pech vergat de penningmeester van het koor dat het de laatste week van de maand was, nou dan zat je wel even moeilijk. Gelukkig werd het steeds beter. Het lesgeld en het honorarium op de koren ging geleidelijk aan omhoog zodat ik me een brommer en later een autootje, Fiat 500, rugzakje of koektrommeltje genoemd. Autogek ben ik nooit geweest het is natuurlijk wel gemakkelijk en je kunt hem niet meer missen. Er komt nog bij dat ik totaal geen oriëntatiegevoel heb. Gelukkig ken ik Walcheren als m'n broekzak, maar kom ik verder van huis kan het nog wel eens verkeerd gaan. Gelukkig staan er overal borden.


Bij alle leuke dingen die het lesgeven met zich meebrengt zijn er ook de droevige dingen, gebeurtenissen die je niet vergeet, die je bij blijven. Gebeurtenissen die ingrijpen in je leven, het patroon van elke dag verstoren. Verschillende malen heb ik het meegemaakt dat een leerling stierf, kinderen in de bloei van hun leven. Al vond ik het niet flink van mezelf het kostte me altijd moeite te gaan condoleren. Wat moest ik zeggen? Is er wel iets te zeggen bij een zo intens verdriet? Aarzelend belde ik dan aan en ging schoorvoetend naar binnen. Eenmaal binnen zat je stil bij elkaar, haalde herinneringn op. Een van de ouders zei eens tegen mij "het leven gaat door, maar de glans is er af." Een van mijn meest begaafde leerlingen, Hans Luik, stierf leeftijd van 57 jaar, kanker. Van beroep bakker bespeelde hij 's zondags het orgel van de Gereformeerde kerk in Veere. Zijn vreugde was muziek maken en dat deed hij enthousiast en serieus, zijn grote liefde was de muziek. Van zijn dood hoorde ik toen we met vakantie in Amerika waren. Men had mij willen vragen de rouwdienst te spelen, helaas heb ik dit niet kunnen doen. Verschillende rouwdiensten heb ik gespeeld als er een leerlingetje begraven werd. Met pijn in het hart, je kwam in opstand, dit had niet mogen gebeuren, waarom die vroege dood. Het hele leven lag nog voor ze en dan afgesneden, hoe kan een god dit toelaten? Nooit heb ik kunnen begrijpen dat kinderen die wisten dat ze gingen sterven dit aanvaarden en afscheidsbrieven schreven, maar wat een verdriet zal hieraan vooraf zijn gegaan.

Anneke Steketé, 18 jaar, kanker patiënt, haar vader vroeg me of ik ze wat piano wilde leren spelen. Ze wist zelf dat ze niet lang meer te leven had "noten moet u me maar niet meer leren want daar is geen tijd meer voor, schrijft u maar wat versjes op." De liedjes schreef ik op in cijfers en letters en zo leerde zij ze. Toen ze niet meer van bed kon ging ik elke woensdagmorgen een uurtje voor haar spelen, Mozart, Chopin, Beethoven, ze genoot hiervan. Bij haar begrafenis heb ik het orgel bespeelt. Toen haar vader kwam af rekenen voor de lessen en het spelen zei ik dat ik absoluut geen geld wilde hebben, als dank kreeg ik een prachtige antieke dirigeerstok die nog boven mijn piano hangt. Soms komen ze nog in mijn gedachten de leerlingen die naar onze maatstaven veel te vroeg gestorven zijn.

Mina de VoogdOostkapelle14 jaar
Liesje SchoeVrouwenpolder12 jaar
Marie KasseVeere20 jaar
Arienne KoddeSerooskerke10 jaar
Zusjes de JongMiddelburg10 en 12 jaar
Hans LuikVeere57 jaar
Annette SteketéVrouwenpolder18 jaar

Laat ik het hoofdstuk over mijn leerlingen besluiten met enkele leuke voorvallen.

Die rot hervormden

Het was een leuk joch, tikkeltje eigenwijs maar ijverig en plichtsgetrouw. Goed gereformeerd nest. Het was vlak na de oorlog, de tijd dat er nog geen sprake was van samen op weg. De afstand tussen hervormden en gereformeerden leek vooral 's zondags niet te overbruggen. Piter had altijd direct na schooltijd orgelles, nu wilde het geval dat ik wat vroeger was en hij er nog niet was. Zijn moeder liet me in de kamer en ging zelf in de keuken aan het werk - zoals bij velen was de ingang "achterom" langs een brandgang. Daar hoorde ik het gekleppper van zijn klompen, driftig kwam hij aangerend, ik hoorde de keukendeur met een klap dichtslaan en hoorde hem met zijn schelle stemmetje naar zijn moeder roepen: "Er is op de schutting geschreven dat hebben die rot hervormden natuurlijk gedaan. "St" hoorde ik zijn moeder, "meneer zit binnen wat moet die wel niet denken." Meneer dacht niets, meneer had binnenpretjes.

Boer en arbeider

Niet alleen de afstand tussen de verschillende kerkelijke gezindte bleek onoverbrugbaar, ook de kloof tussen boer en arbeider was in die tijd niet te overbruggen. De boer was koning op iedere meter grond waarop hij stond. De arbeider was onmisbaar maar moest wel weten waar zijn plaats was. De kinderen van de boer hadden harmoniumles. Leuke kinderen, ijverig ook. Af en toe kwam de boerin binnen en vroeg hoe het ging met de vorderingen. Op een middag kwam ze binnen en zei "wat ek gôre eit die joen van janse urgelles, eit ten der vestand voo een joen van een erbeier" "gelukkig wel," zei ik, "waarom zou hij niet" "En kunne ze dat betaele?" "Ik denk het wel ik krijg mijn geld altijd, keurig op tijd" "nou ik vindt maer niks, verschil moet er weze." Bij zoveel domheid staat je verstand stil. Gelukkig is ook hier veel veranderd ten goede.

Bijbel lezen hoefde niet

Het is verrukkelijk om met kinderen om te gaan. Of het nu muziekles is of op kinderkoor, de spontaniteit van de kinderen is hartverwarmend. Gerda was ook zo'n kind, ze was bij me op kinderkoor en haar zusje had pianoles van me. Juist na het avondeten. Het gebeurde een keer dat ik wat vroeg was. "Geen bezwaar," zei de moeder "we zijn toch klaar." De volgende keer was ik precies op tijd. Gerda deed open "Vorige keer was u vroeger, u mag wel altijd vroeger komen." "Kan dat, zijn jullie dan al klaar met eten" vroeg ik. "Ja hoor we zijn dan wel klaar maar moeten nog uit de bijbel lezen en als u vroeger komt kan dat niet meer en dat vind ik best goed."

Ik had het brave kind best terwille willen zijn, maar dacht dat ik toch maar niet de goede gewoonte van het gezin moest ondergraven al was het dan ook maar een keer in de week.

O die pijp

De pijp is een klassiek rookinstrument, welke wijze van tabaks gebruik ook domineerde, de pijp bleef. Veel is geschreven over het genot van het pijproken, gedichten, rijmelarijen enz. Joh. Seb. Bach heeft een lied gecomponeerd "Tabacks-pfeife", in dit lied wordt de vergankelijkheid van ons bestaan vergeleken met de in rook vervliegende tabak.

Zelf een fervent pijproken weet ik hoeveel genot een goede pijp tabak verschaft. Pijp rokend kun je zo heerlijk filisoferen. Overigens bevind ik mij in goed gezelschap. Jean Paul Satre, Ernest Hemmingway en James Joyce waren verwoede pijprokers.

Soms wordt er wel eens tegen mij gezegd we hadden je nog niet gezien maar wel geroken, gelukkig slaat dit dan op de verrukkelijke tabaksgeur. Een van mijn minder goede eigenschappen is dat ik nogal nonchalant ben, trouwens enige onhandigheid is mij ook niet vreemd. Stille getuigen zijn gaatjes in overhemd en broeken, mijn vrouw lijdt in stilte maar heeft er mee leren leven. Het overkomt we wel eens dat als ik mijn pijp weg wil leggen dat vermaledijde ding uit je handen valt of dat je hem op zijn kop houdt zodat de as er uit valt. Zo lag er bij een leerling onder de stoel waar ik altijd opzit naast de piano een krant. Ik keek wat verbaasd en zei "hebben je een ongelukje gehad met het tapijt?" "Nee meneer," zei het meisje wat verlegen en bedeesd, "maar moeder zegt dat u altijd zo met uw pijp morst als u hem weglegt en als u dan weg bent moet ze de as opruimen met de veger en zo met de krant is het makkelijker" zegt ze. Ik hoop dat ik wat voorzichtiger geworden ben met het rondstrooien van as maar het antwoord ligt bij mijn leerlingen.

Het kopstandje

Dat onze lieve heer rare kostgangers heeft is genoegzaam bekend. Hij was er ook zo een. Beetje vreemde man, waarom zou ik zo gauw niet kunnen zeggen. Hij had gewoon iets eigenaardigs over zich. Zijn dochters hadden pianoles en gezien hun vorderingen wilde hij het ook wel eens proberen. Maar och arme, de man speelde al jaren viool, maar nu met die piano die ellendige bassleutel. Hij kon de beide sleutels niet combineren. Was ook op moeten houden met autorijles omdat hij op een kruising gekomen de boel niet kon overzien. "Ik bleef naar links en rechts kijken" vertrouwde hij me toe. "Maar gelijktijdig het verkeer van links en rechts bekijken ging niet." Op aanraden van zijn rij-instructeur was hij er dan ook maar mee gestopt. Na weer talloze malen vergeefse pogingen gedaan te hebben met twee handen te spelen zei hij "Laten we er maar mee stoppen, ik kan niet combinerende sleutels apart gaat wel maar samen wil het maar niet lukken, hoe ik het ook probeer." Een zucht van verlichting ontsnapte me, want hoewel ik al eens een hint had gegeven dat hij beter kon stoppen, hij wilde blijven proberen. "Maar," zei hij "u kunt goed piano spelen en daarin bent u mij de baas, maar ik kan iets wat u niet kan, tenminste dat denk ik." "Best mogelijk," zei ik, "laat maar eens zien of horen." Hij ging midden in de kamer staan, maakte een luchtsprong, kwam met zijn handen op de grond, benen naar boven en liep zo op zijn handen de kamer door. "Nu u", zei hij toen hij weer op zijn benen stond. Ik heb me er maar niet aan gewaagd, want zeg nou eerlijk een mens valt niet graag op zijn bek.

Postiljon d'amour

Ze hadden elkander zo lief. Maar helaas boze vader van meisje vond jongen niet goed genoeg, komt in de beste families voor. Zo nu en dan eens een stiekem vrijerijtje, maar dat kon nooit lang duren en ze hadden elkaar zoveel te vertellen. Maar liefde maakt listig en zo kwam het meisje op een idee. Elke week had ze harmoniumles van me en toen ik een keer naar haar toeging stond haar vrijer me op te wachten. "Meneer Hekhuis, mag ik u even spreken?" Natuurlijk. Wat zenuwachtig en een beetje stotterend vertelde hij me het verhaal van de boze vader. "Zou u misschien dit briefje aan Corrie willen geven, zij heeft er ook een voor mij dan sta ik hier straks weer en krijg dan het briefje van Corrie van u." Zoiets kun je natuurlijk niet weigeren. Hoelang ik zo voor postiljon d'amour gespeeld heb weet ik niet meer, wel een hele poos, maar vrijen per brief schijnt toch geen voldoening te geven, zodat het liefdesvuur langzaam aan bekoelde en mijn tussenkomst niet meer nodig was. Ik vond het jammer, leefde mee met alle ups en downs, maar ik had mijn best gedaan, meer kon ik niet doen. Wat je al niet mee kunt maken als reizend muziekleraar.

Ze waren nog niet wakker

De eerste jaren dat ik les gaf was het hard werken, alles op de fiets, leerlingen, koren, kinderkoren je was lang onderweg door alles op de fiets te moeten doen. Maar je was jong, had plezier in je werk, wat wil je nog meer.

's Zaterdagsmorgens was mijn eerste les om half acht in Oostkapelle, vroeg begonnen, vroeg klaar met de zaterdag. Met opstaan had ik geen moeite. Prachtige zaterdagmorgen, volop zonneschijn, de vogels zongen dat het een lieve lust was. "Pluk de dag" dacht ik en stapte vol frisse moed om zeven uur op mijn fiets. Maar wat was dat bij mijn leerling aangekomen zag ik dat alles nog gesloten was, gordijnen potdicht, dat was nog nooit gebeurd. Zeker erg laat geworden gisteravond. Langdurig op de bel gedrukt en ja hoor daar verscheen het hoofd van vader boven door het raam. "Goede morgen," riep ik, "ik denk dat je het verslapen hebben, het is bij half acht." "Tjonge dat is ook wat ik zal Leida eens gauw roepen." Enkele ogenblikken nadien verscheen hij weer voor het raam "Weet u wel hoe laat het is, het is vijf voor half zeven." Ik keek eens goed op mijn horloge en inderdaad de man had gelijk. Ik ben toen maar een uurtje in het bos gaan wandelen, goed bestede tijd.

Wat was dat mooi geworden

Het was een lieve vrouw, zacht van karakter en altijd opgewekt. Ze had zoals toen de gewoonte was harmoniumles. Ze deed ijverig haar best, maar de vorderingen stonden niet in verhouding tot haar ijver. Ze had er wel plezier in, hetgeen ze zo nu en dan eens zeide "Ik ben wel niet zo'n goede leerling maar ik heb er plezier in." Ze was ook een beetje trots, trots op haar huishoudingkje, ze kon het ook doen telkens eens wat nieuws kopen. Nu ben ik zo dat ik nooit zie wat de mensen in huis hebben men kan makkelijk een nieuw ameublement aanschaffen als ik de andere week kom zal het me niet opvallen. "Hebt u mijn nieuwe lamp wel gezien?" Dat had ik dus niet, maar het is een pracht lamp. "Hebt u al gezien dat ik nieuwe overgordijnen heb?" Ook dat dus niet, maar ik vond ze schitterend. Na een van de lessen zei ze "Volgende week moet u niet komen want ze komen schilderen en behangen" "Jonge, Jan," dacht ik, "dat moet je onthouden, het zou toch te gek zijn als ik het niet zou zien." En of ik het had onthouden, ik keek de volgende keer de kamer rond en zei "tjonge, jonge dat is mooi geworden." Met een blik vol verbazing keek ze me aan en begon toen te lachen. "Nou zeg, u zegt toch ook maar wat, ze zijn niet geweest, ik ben ziek geweest en nu is het een paar weken uitgesteld." Ik kon mijn eigen gezicht niet zien maar ik zal er wel zeer onnozel uitgezien hebben. De lessen hebben er verder niet onder geleden, maar zei ze "ik zal voortaan maar niet meer zeggen als ik iets nieuws heb, u ziet het toch niet en zegt maar wat." Waarvan acte.

Koordirigent

Hoe ik er toegekomen ben koordirectie te gaan studeren weet ik nog steeds niet precies. Je wilde in de muziek wat bereiken, er je brood mee verdienen dus ook koordirectie er bij. Nu ik wil gaan schrijven over mijn koorpraktijk moet ik wel erg ver terug in mijn herinnering. We zaten midden in de bezetting en de tijd was erg chaotisch. Gelukkig helpt het toeval wel eens een keer. 1991 werd ik uitgenodigd om het zestig jarig bestaan van de zangvereniging in Nieuw- en Sint Joosland bij te wonen. Het koor dat nu een dameskoor is had o.a. een kleine tentoonstelling ingericht met programma's en bladen uit de notulenboeken. Dit koor nu was mijn eerste koor, 1942-1944. Iedere week fietste ik van Vrouwenpolder naar Nieuwland om met het koor te repeteren. Daar 's avonds om tien uur de spertijd inging kon ik niet meer naar huis en bleef slapen bij de fam. Keim. Dhr Keim en zijn vrouw waren alle twee lid, Keim was voorzitter. Daar ze niet zo groot behuisd waren sliep mevr. Keim bij haar dochtetjes in bed en ik dook bij Keim onder de lakens. Ik moet zeggen dat ik dat in het begin maar een beetje griezelig vond, maar ja alles went behalve een vent zeg ik de titel van een boekje na.

Toen de dijken gebombardeerd werden en Walcheren onder water stond kon ik natuurlijk mijn werk niet meer doen. Na de oorlog zo bleek uit de notulen vroeg men mij terug te komen om weer leiding aan het koor te geven. Ik stemde daarin toe mits men het honorarium van ƒ4.- verhoogde tot ƒ5.- hetgeen geschiedde.

Tijdens de oorlog had ik, ook nog een paar kerkkoren onder mijn leiding o.a. in Grijpskerke en Aagtekerke. Daar je als kerkkoor makkelijker onder verschillende bepalingen van de Duitsers uit kon komen richtte men maar kerkkoren op. Het ging om het gezamenlijk zingen ik kan me niet herinneren ooit in een kerkdienst te zijn opgetreden. Daar de plaatsen van deze koren dichterbij lagen dan Nieuwland repeteerden we tot 9.15 zodat ik nog net op de fiets thuis kon komen. Ook hier kwam door de indunatie van Walcheren een eind aan. Hoe dat allemaal geregeld werd na de oorlog weet ik me met de beste wil van de wereld niet meer te herinneren. Over de tijd van na de oorlog gaat het beter, hoewel ook hier verschillende dingen in de vergetelheid zijn geraakt. Ik had een dagboek bij moeten houden.

Piet Broerse mijn leraar was voor de oorlog dirigent van het Chr. gemengd koor "Halleluja" te Grijpskerke. Na de oorlog wilde hij er mee stoppen en vroeg of ik het van hem over wilde nemen. "Ik had ƒ2.50.- voor een repetitie, maar je kunt nu wel ƒ5.- vragen." Ik ging kennis maken en was weer dirigent van een koor. In Souburg waar ik toen organist was werd een kerkkoor opgericht. Of dat toen het einde betekende van mijn dirigentschap in Nieuwland kan ik me niet meer herinneren. In deze tijd werd ik ook gevraagd de leiding van het koor "Volharding leidt tot het doel" te Domburg op me te nemen, spoedig gevolgd door "Looft den Heere" te Westkapelle. Ook in Domburg werd een kerkkoor opgericht waar ik nog een tijdje cantor van was, maar organist in de ene plaats en cantor in de andere is niet te combineren. Op Westkapelle bestond ook een mondorgelclub "De Krekels", toen zij zonder dirigent kwamen te zitten leek ik wel een geschikte opvolger, zodoende werd het wel druk in mijn pakhuis.

Hoe het allemaal reilde en zeilde weet ik ook niet meer maar op een gegeven ogenblik was ik ook dirigent van de zangvereniging "Hosanna" in Zoutelande. Ik zal dan wel weer ergens anders ontslag he-ben genomen anders kan het nooit. Daarbij kwam nog dat de koren kinderkoren op gingen richten, zodat voor de repetitie met het grote koor begon ik eerst anderhalf uur met de kinderkoren bezig was.

Op aanbeveling van mijn oud leraar dhr A. Kousemaker en de toenmalig directeur van de Zeeuwse muziekschool dhr Stam werd ik gevraagd muziektherapeut te worden op de inrichting "Vrederust" in Bergen op Zoom. Daar dit op maandag viel zag ik mij genoodzaakt voor het koor op Grijpskerke te bedanken. Voor zover ik me kan herinneren zag mijn weekindeling er zo uit. Overdag gaf ik privé lessen, 's avonds was het als volgt: Maandag 20-21.30 Vrederust. Dinsdag 20-22 uur "Krekels", Westkapelle. Woensdag 18.30-19.45 kinderkoor, 20-22 "Looft den Heere" Westkapelle. Donderdag 18.30-19.45 kinderkoor Domburg 20-22 Volh.l.t.h.Doel, Domburg. Vrijdag. 16-17 Kinderkoor Vrouwenpolder. 18.30-19.45 kinderkoor en 20-22 "Hosanna" Zoutelande.

Gelukkig was ik toen zover dat ik me een brommer had kunnen aanschaffen. Om over al deze koren afzonderlijk te schrijven is me te veel werk ik volsta dus maar met wat algemeens. Ik heb het werk altijd met plezier gedaan, ook al waren er wel eens repetities die niet zo lekker liepen. Vreselijk was het als er een slechte opkomst op de repetitie was, kon je de andere week weer van voren af aan beginnen.

Om een koor redelijk goed te laten zingen is behalve vakkennis ook een grote dosis geduld nodig. De meeste koorleden kennen geen noten, de partijen moeten dan ook voorgespeeld of gezongen worden en er zo ingestampt. Toch kwam je altijd weer tot een uitvoering, de ene keer wat beter geslaagd dan de andere. Domburg had na het na het zanggedeelte altijd een toneelstuk gespeeld door eigen leden. Succes verzekerd. De uitvoeringen werden gegeven om en om in de plaatselijke café's. Na afloop van de uitvoering was er altijd nog een gezellig samenzijn aan de bar ook daar waren ze goed in. Toen het dorpshuis het Schuttershof gebouwd was gingen we daar uitvoeringen geven, een hele verbetering.

Het hervormde jeugdgebouw in Westkapelle was wat akoestiek betreft gewoon slecht, zodat besloten werd de uitvoeringen voortaan in de kerk te houden. Dit hield wel in dat we een programma van geestelijke liederen ten gehore moesten brengen, ook moest er persé een dominee zijn zegje doen. Voor het zingen in bejaarde tehuizen studeerden we ook vrolijke liederen.

Hosanna in Zoutelande gaf zijn uitvoeringen altijd in dorpshuis "Middendorp", ook hier na afloop toneel gespeeld door eigen leden. Zo nu en dan werkten de koren mee aan een kerkdienst, hoewel ik hier geen voorstander van was. Het was versiering en maakte eigenlijk geen deel uit van de liturgie. De liederen werden ergens tussen geplaatst. Soms klopte het aardig. Ieder koor heeft zo zijn eigen mentaliteit en vereiste een eigen aanpak. Wat je op het ene koor wel kon zeggen viel bij het andere verkeerd. Mijn leraar dhr Kousemaker zei me eens "Als je pas op een koor komt moet je eerst de sfeer proeven, even goed ruiken en proeven als bij een glas wijn."

Ik schreef het al na de uitvoering gingen we in bejaarde tehuizen zingen, een zeer dankbaar werk.

Wat ik nooit heb kunnen begrijpen is dat er christelijke koren zijn die zeggen "We zingen ter ere van God". Ik heb wel eens gezegd "dan begrijp ik niet dat je zo makkelijk de repetitie verzuimen, er kan geen verjaardag zijn of het zingen ter ere Gods wordt vergeten." Zulke uitspraken werden me niet in dank afgenomen. Ik geloof dat nergens Gods naam zo ijdel gebruikt wordt als op christelijke koren.

Het werken met kinderkoren vraagt weer een heel andere aanpak. Wat is het mooi met kinderen te werken al waren er ook wel eens klieren bij. Wilde ik ze van het koor verwijderen stond het bestuur op z'n kop want dan had je weer leden minder. Gelukkig kwam dit niet veel voor. De kinderen zongen enthousiast en voerden hun musicals en operettes op als waren het beroeps acteurs. Het instuderen en opvoeren van musicals was altijd een heel karwij en als je geen bestuur had en vrijwilligers die daar bij hielpen kon je het wel vergeten. Gelukkig heb ik nooit gebrek aan medewerking gehad. Al met al heb ik met mijn kinderkoren met buitengewoon plezier gewerkt. Het kinderkoor "Van knop tot bloem" heeft het langst onder mijn leiding gestaan, 39 jaar, 40 kon het net niet halen. Er was zoveel te doen voor de kinderen, korfbal, gymnastiek, tennisen enz. De balangstelling voor het koor verflauwde en we besloten er mee te stoppen. Toch jammer want het kinderkoor van Vrouwenpolder had een speciaal plaatsje in mijn hart. Mijn kinderen waren er ook op geweest, Joke had een leuke stem en zong wel eens solo.

Soms gebeurt het dat ik jonge vrouwen tegenkom die zeggen "meneer Hekhuis, kent u me nog ik ben bij u op het kinderkoor geweest." Zo ook laatst in het ziekenhuis. De laborante was lid van het kinderkoor in Westkapelle geweest, de therapeute lid van het kindenkoor in Zoutelande, de mevrouw aan de balie was bij me op school geweest. Wel leuk dergelijke ontmoetingen. Ik ben ijdel genoeg om daarvan te genieten.

Toen in 1982 mijn vriend en collega Arie Joosse stierf, dirigent o.a. van het bejaardenkoor "Zanglust" in Vlissingen werd mij gevraagd hem op te volgen. Nog steeds sta ik voor dit koor. Ook werd een bejaardenkoor in de gemeente Veere opgericht wat onder mijn leiding kwam te staan, helaas moesten we hier na een jaar of twaalf mee stoppen, geen belangstelling meer en ook het vervoer, we repeteerden om de beurt in Vrouwenpolder, Gapinge, Serooskerke en Veere gaf moeillijkheden. Wel jammer, voor de mensen die nog wel kwamen voorzag het in een behoefte. Schiet me nog een anekdote te binnen. In Domburg woonde de toen op Walcheren zeer bekende koordirigent Lein Francke. Hij was nog gekleed in Walcherse dracht, zeer muzikaal man, haalde met zijn koren de beste resultaten. Toen ik enkele maanden dirigent was van het Domburgse koor kwam ik hem tegen. "Wel," zei hij "hoe gaat het op het koor in Domburg?" "Tot heden toe goed", antwoordde ik hem. "Probeer het zo te houden, ik ken Domburg, als ze je mogen doen ze alles voor je, maar als je het verprutst slaan ze je weg met de mistriek." Dit laatste is gelukkig nooit gebeurd.


Toen ik 65 werd besloot ik een punt te zetten achter het hoofdstuk, koordirectie, mijn hele leven leek het wel was ik behalve in de vakantie 's avonds nooit thuisgeweest. Ik wilde 's avonds wel eens gezellig thuis zijn. Overal afscheid genomen met natuurlijk de onvermijdelijke mooie woorden en cadaeus. In het begin miste ik het wel de repetitieavonden, de omgang met de koorleden, de spanning voor een uitvoering. Ga ik nu naar een concert of uitvoering zit ik voor het begin gewoon nog een beetje in spanning, ik proef de sfeer achter de coulissen en voel nog de spanning van voor het optreden. Daar ik op diverse dorpen nog les geef word ik goed op de hoogte gehouden van het wel en wee op de koren, je hebt dan toch het gevoel ik hoor er nog een beetje bij. Ieder jaar liggen er weer de uitnodigingen voor het bijwonen van de uitvoeringen, als het enigszins kan ga ik. Na zeven jaar werd mij gevraagd het koor op Domburg weer te willen leiden, mijn opvolgster had ontslag genomen. Men wilde mij eerst niet lastig vallen, ook met het oog op mijn gezondheid, konden geen ander vinden en vroegen mij om raad. Wat doe je dan als je 39 jaar alle lief en leed met het koor gedeelt hebt, je gaat weer terug, zo kwam ik daar toch nog aan mijn veertig jarig jubileum.

Ook het bejaardenkoor "Zanglust" in Vlissingen staat nog onder mijn leiding, fijn koor. Het zingt regelmatig in bejaarden tehuizen en doet mee aan concoursen waar we menigmaal een eerste prijs haalden. Een keer is het haast fout gelopen en hing het voortbestaan van het koor aan een zijden draadje. Er was een echtpaar, komend uit de randstad lid geworden. Hadden gezongen in oratorium verenigingen, kamerkoren en weet ik nog al niet. Ze dachten alles van de zangkunst af te weten, soms dacht hij het beter te weten dan ik. Dat werd een fikse ruzie die zo hoog opliep dat ik het koor voor de keus stelde, "zij er uit of ik". Het koor koos unaniem voor mij.

Ook mijn lespraktijk wilde ik af gaan bouwen, maar daar komt tot op heden niet veel van terecht. Ten eerste doe ik het ontzettend graag en ten tweede kan ik slecht nee zeggen. Bovendien is daar dat akelige plichtsgevoel. Je hebt die gave gekregen dus zolang je kunt moet je die aan anderen doorgeven. Maar ik ben nu toch zover dat ik buiten Vrouwenpolder geen nieuwe leerlingen meer aanneem. Maar ja dan geef je iemand les en die z'n broertje of zusje wil ook zo graag en wat doe je dan, aannemen...

Zolang ik kan en er plezier in heb zal ik nog wel een poosje doorgaan. Trouwens wat zou ik ze missen de kinderen met hun verhalen, het laten zien van hun schoolrapport en dan de ouderen die weten heel veel zullen we niet meer bereiken, maar er zo'n geweldig plezier in hebben. "Het gaat niet zo vlug en soms snap ik het niet goed, maar u blijft toch wel komen hè? Of die mevrouw die in enkele jaren tijds haar man en enige dochter verloor. We beginnen met wat praten en gaan dan wat spelen. Toen de dokter haar voorstelde eens naar een praatgroep voor rouwverwerking te gaan zei ze "dokter mijn pianolessen zijn mijn beste therapie." Op zulke ogenblikken weet ik dat mijn werk niet tevergeefs is geweest.

Vrederust

Voorjaar 1960 ontving ik een brief van de geneesheer-directeur Dr v Beek, waarin mij gevraagd werd muziektherapeut te willen worden aan de psychiatrische inrichting "Vrederust" in Bergen op Zoom. Ik schreef hier al over in het algemene gedeelte. De werktijd was 's maandags van 13.30-21.30. Ik begon met patiënten die in de maatschappij muziekles hadden gehad weer les te geven, blokfluit, orgel, piano enz. Om de drie maanden moest er een rapport ingediend worden met daarin vermeld de vorderingen en de houding van de patiënt. Dit werd dan met de geneesheer-directeur besproken.

De aankomende verplegers en verpleegsters kwamen eerst in de z.g. vooropleiding, verplicht vak hierbij was muziek. Van 17-18 uur werd dan door mij muziekles gegeven aan die groep. Algemene muziekleer, en hoe reageert een mens en in dit geval de geestelijk gestoorde mens op muziek. Welke muziek is er geschikt enz. (zie lezing over muziektherapie) Daarna ging ik met het personeel eten in de eetzaal voor het personeel. Van 19.30-21.30 uur was daar de repetitie met het patiëntenkoor, ongeveer zestig leden. Met plezier werd er gezongen en een keer paar jaar gaven we een uitvoering, ook verleenden we medewerking aan het kerstfeest, tweede kerstdag 's middags. Zelfs driestemmig werd er gezongen. Daar ik in de eerste tijd nog geen auto had reed ik met de brommer naar Middelburg, stapte op de trein en in Bergen op Zoom aangekomen bracht een taxi me naar de inrichting. 's Avonds zelfde ritueel in omgekeerde richting.

Het werken met geestelijk gestoorde mensen is prachtig, wel moeilijk. Ik heb dan ook grote bewondering voor het verplegend personeel dat dag aan dag met die mensen om moet gaan. Maar echt moeilijk heb ik het nooit gevonden. Steeds probeerde ik te ontdekken welk deel van de geest nog enigszins gezond was en probeerde daar op in te spelen, wat konden ze, hoe was hun reactie op bepaalde gebeurtenissen.

Veel verhalen moest ik aanhoren, over hun leven in de maatschappij, dat ze hier ten onrechte zaten en of ik ze 's avonds niet mee kon nemen. Meestal waren de verhalen zeer verward en wist ik niet precies wat ik moest antwoorden. Toen ik op een van de besprekingen met dr v Beek dit onderwerp aansneed zei hij "Het is helemaal niet belangrijk of u iets terug zegt, ze luisteren toch niet, de mensen willen hun verhaal kwijt en u kunt luisteren dat is het voornaamste, u zou een goed psycholoog zijn." Dergelijke opmerkingen stimuleerden me dan weer om met dit toch wel moeilijk werk door te gaan. Een jonge man kwam ieder week piano spelen, hij speelde zeer goed. Maar ik moest wel steeds het blad omslaan anders bleef hij hetzelfde blad spelen. Hij vertelde me dat hij economie had gestudeerd, een jaar voor zijn doctoraal examen ging het fout. "Ineens kon ik niet meer denken, haalde alles door elkaar heb nog geprobeerd les te geven maar dit werd een volslagen fiasco," zo vertelde hij me. Enkele weken later zei hij "U weet niet wat het is geestelijk in de war te zijn wat heb ik nog aan mijn leven." Enkele maanden nadien gooide hij zich voor de trein, hij kon het leven echt niet meer aan.

Vaak vroeg ik me af, hoe komt het toch dat mensen in de kracht van hun leven zo'n geestelijke beschadiging kunnen oplopen. Een jonge vrouwe kwam viool bij me spelen, eindexamen gymnasium en dan ineens die storing. Ze woont nu zelfstandig in Vlissingen en ik heb nog steeds contact met haar. Zo nu en dan belt ze op of ik koffie kom drinken dat doe ik dan na de morgendienst in de Johanneskerk. Een van de ex-patiënten die blokfluit les van me had is nu op het bejaardenkoor in Vlissingen, zo heb ik met een paar ex-patiënten toch contact.

Op het patiënten koor was een al wat oudere man. Iedere keer na de repetitie kwam hij me een hand geven en goede reis toewensen. "De Ruiter, ook goede nacht en tot volgende week." Hij liet mijn hand los, stak zijn wijsvinger naar boven en zei "Zo God wil meneer, zo God wil."

De psychiatrische inrichting werd ziekenhuis, d.w.z. de zware patiënten verbleven daar, de mensen die maar enigszins konden functioneren werden in gezinsvervangende tehuizen geplaatst of gingen zelfstandig wonen onder toezicht. Daar ik natuurlijk geen verplegers opleiding had werd het me toch een beetje te zwaar. Na twaalf en een half jaar nam ik afscheid van "Vrederust". Het was een mooie en vooral leerzame tijd.

Schoolmeester

Hoewel ik een goede les en koorpraktijk had, je was een kleine zelfstandige, pensioen is er niet aan verbonden en ook ziektekosten verzekering moest je zelf ophoesten. Mijn vrouw kantoorhoudster bij de P.T.T. had een, hoewel niet groot, eigen inkomen en was verzekerd tegen ziektekosten en opgenomen in het pensioenfonds.

Toen er dan ook een advertentie in de P.Z.C. stond waarin een muziekleraar gevraagd werd aan de huishoudschool te Oostkapelle besloot ik te soliciteren en werd na mijn diploma's getoond te hebben op het gemeente huis van Domburg, waaronder Oostkapelle resorteerde en een gesprek met de directrice, Digna Bom, aangenomen.

In het begin viel het niet mee, het is heel wat anders aan een klas meisjes les te geven dan aan privé leerlingen. Maar met vallen en opstaan heb ik het toch gered. Ik begon het vertrouwen van de meisjes te krijgen en het lesgeven ging me steeds beter af. Met plezier ging ik altijd naar school. Altijd kwam ik aanstappen met de pijp in mijn mond, de meeste meisjes vonden dat heerlijk ruiken, de pijp behoorde bij mij. Toen dan ook de vriendschapsboekjes in zwang kwamen en ik dikwijls gevraagd werd er in te schrijven was de vraag altijd "meester een pasfoto met uw pijp in de mond graag". Natuurlijk voldeed ik aan dit verzoek, hoe zou je dat kunnen weigeren.

Hoewel ikzelf het idee had dat ik toch wel niet zo'n goede schoolmeester was waren er mensen die daar anders over dachten. Zo werd ik gevraagd lessen waar te nemen aan "de Waayenburg" in Middelburg, ook een L.H.N.O. school. De docent Ton de Vries was langdurig ziek en men zocht een vervanger. Toen een jaar later de muziekdocent Bouterse met pensioen ging werd ik gevraagd zijn plaats in te nemen. Ik gaf les aan het I.H.N.O., wat zwak begaafde kinderen, de pas begonnen curcus K/V-J/V (kinder en jeugdverzorging) en het I.N.A.S. (inrichtingsassitente). Zowel in Oostkapelle als in Middelburg heb ik fijn gewerkt. Fijn team en goede leiding. Minder prettig vond ik het in Vlissingen aan de school voor L.B.O. de sfeer daar lag me niet evenals in Kruiningen ook een school voor L.H.N.O. Men had mij gevraagd omdat men vond dat ik het zo leuk deed. In een jaar tijds hadden ze twee muziekleraren versleten die huilend van ellende ontslag hadden genomen. Op deze school was geen collegialiteit en de directrice kon het niet aan is later ook afgekeurd, zwaar overspannen. Daar ik nog al makkelijk van aard ben en niet gauw van mijn stuk te brengen heb ik het daar vijf jaar uit gehouden. Ik was blij dat ik meer uren aan de Waayenburg kreeg en zodoende zowel in Vlissingen als Kruiningen ontslag kon nemen. Op de Waayenburg maakte ik op mijn 62ste gebruik van de z.g. V.U.T. regeling, waarom weet ik ook niet ik had het er best naar mijn zin, maar ja het zat een beetje in de lucht met de vut te gaan. Daar er op de vacature voor Oostkapelle geen solicitanten kwamen vroeg men of ik wilde blijven tot er een opvolger gevonden was. Ik stemde toe, het zoeken naar een opvolger hield op zodat ik daar tot mijn 65ste gebleven ben.

Evenals op de Waayenburg een mooi afscheidsfeest. Hartverwarmende toespraken en liederen waaruit men liet merken dat men spijt had dat ik wegging. Maar dat is natuurlijk altijd zo, hoewel ik wel de indruk had dat men het meende. Mooi kado's.

Oostkapelle had de stadsbeiaardier van Veere, Kees van Eersel uit Goes gevraagd een concert te geven op de stadhuis toren van Veere. Hij begon met "Hes a Jolly good Fellow" en op mijn verzoek een improvisatie over gezang 301 "Wij moeten Gode zingen" schitterend. Evenals in Middelburg mooie kado's en lovende woorden. IJdelheid is niemand vreemd dus nam ik alles in dank aan.


Of het aan mijn manier vanlesgeven lag of dat men niet altijd goed luisterde weet ik niet maar soms kreeg je de gekste antwoorden bij een S.O. of repetitie. Na over Beethoven verteld te hebben en aantekeningen daarover door de meisjes had laten maken liet ik ze een opstel schrijven over Beethoven. Een van de meisjes schreef "Beethoven zijn vader stierf vroeg en zijn moeder stierf ook niet laat." Repetitievraag "Wat is een concertmeester"? Een soort ceremoniemeester. "Noem een bekend werk van G.F. Händel" De Mattheuspassion van Bach. "Wat doet een orkestlid dat 20 maten rust heeft?" "Niks" Wat zou het nakijken van repetities saai zijn zonder zulke antwoorden.

Soms heb ik de gewoonte in mijzelf te praten, kom ik de godsdienst leraar tegen op de gang "He je praat in jezelf je zult een harde dood hebben". Misschien maakt hij nog mee of het waar is wat hij zei.

Al schrijvende merk ik dat ik nu een beetje aan het sprokkelen ben, mijn gedachten gaan spelevaren, dat heb je als je niet eerst een kladversie maakt en zo maar op de schrijfmachine gaat zitten rammen. Het lijkt nu wel een thema in kreeftengang. Schiet me te binnen dat ik nog eens een koor in Vlissingen heb gehad, mijn oud leermeester Jan Kwist was daar dirigent maar vertrok naar Amerika, dacht dat ie het daar wel zou vinden. Het was een christelijk koor de naam is me ontschoten om de een of andere reden ben ik daar toch weer weggeraakt ik kan me daar weinig meer van herinneren. Na dat ik in Vrederust ontslag had genomen ben ik ook nog een poosje dirigent geweest van "De volksstem" in Vlissingen, mijn voorganger daar was Ab Lichtendahl. We reperteerden in een scoollokaal van de H.B.S. Een rot lokaal om te reperteren, veel te klein, maar ja ik had alleen de maandag ter beschikking. Toch kwamen we nog tot een goede uitvoering. Maar daarna begon het gesodemieter. Dinsdagsavonds zouden we kunnen repeteren in de aula, de oratoriumvereniging repeteerde daar op maandag. Ik zei "ik kan niet want dan heb ik koor op Zoutelande" "Ja maar een stadskoor gaat toch zeker wel boven een dorpskoor?" "Nee bij mij niet" De sfeer was vertroebelt men kon schijnbaar niet begrijpen dat ik een koor waar ik al jaren met plezier werkte niet wilde ruilen voor een Vlissings koor. Het werken was niet zo plezierig meer al lag dit meer aan het bestuur dan aan de leden. Ineens had ik er genoeg van en nam op staande voet ontslag. Er werd een opvolger gevonden in de figuur van Han Beekman, deze had het binnen een paar weken ook gezien en het koor ging roemloos ten onder.

Nog wat sprokkelhout

We gaan nog maar eens even wat sprokkelen, schiet me af en toe weer eens wat te binnen.

Mei 1984. Mijn vrouw neemt afscheid als kantoorhoudster van de P.T.T. na een dinsttijd van 37 jaar. Geweldig veel belangstelling er werden goede en mooie woorden gesproken. Veel waardering wat tot uitdrukking kwam in de vele en mooie kado's die de bevolking meebracht. Wel een teken dat haar werk zeer gewaardeerd werd en ze bij de mensen van Vrouwenpolder en geliefd is. Toch wel blij dat ze ervan af was, er vonden zoveel vernieuwingen plaats dat het haast niet bij te houden was. Het leven werd heel wat rustiger. Daar het kantoor nog steeds bij ons aan huis gehouden werd waren we toch nog steeds op de hoogte van het wel en wee en leefden zo toch nog een beetje mee. Verschillende vervangers volgden elkaar op, Joke Vermaas heeft het het langst uitgehouden, vier en een half jaar. Na de bouw van de nieuwe supermarkt van Corbijn kwam daar het postagentschap en werd het kantoor mijn werkkamer. Het was een heel karwei alle boeken en kasten naar beneden te krijgen, maar dank zij de hulp van de kinderen was het in een dag gepiept.

1989 vond de twede reis naar Amerika plaats nu in gezelschap van Jaap en Leen. (zie hiervoor reisverslag Amerika 2)


Van dhr Kousemaker in Goes kreeg ik naast de orgellessen ook les in harmonie en contrapunt wat resulteerde in het schrijven van composities. Verschrikkelijk moeilijk. Eindelijk dacht ik een paar koraalbewerkingen gemaakt te hebben die de toets der kritiek zouden kunnen weerstaan. Opgestuurd naar Willemse in Amersfoort en jawel hoor ze werden uitgegeven. Nadien volgden nog wat psalm en gezang bewerkingen en enkele koorwerkjes. Echt fanatiek om mijn muziek uitgegeven te krijgen ben ik nooit geweest, verschillende manuscripten heb ik nog liggen maar doe de moeite niet ze op te sturen. Het gaat bovendiem verschrikkelijk moeilijk iets uitgegeven te krijgen. Bij veel componisten ligt er heel wat onuitgegeven werk in de la. Componeren doe ik dus zomaar voor mijn eigen plezier. Daar ik nog koren heb kan ik mijn koorwerkjes daar laten uitvoeren. Orgelstukken van mezelf speel ik dan als ik een orgelconcert geef. Verschillende concerten heb ik gegeven. Middagconcerten in Vlissingen en Middelburg. Op Vrouwenpolder en Gapinge gaf ik in de zomer zomeravond concerten vaak samen met Paul van Belzen een zeer talentvol trompettist. Verschrikkelijk dat hij oorbeschadiging heeft opgelopen en voor de muziekwereld verloren is. Vreselijk lijkt me dat je als musicus geen muziek meer kunt horen. Ook gaf ik verschillende concerten met de amateur baszanger Nico Top uit Vlissingen. Zeer muzikaal man. Hij had een diepe zware bas, het was al gauw te hoog voor hem zodat ik vaak moest transponeren. Gelukkig kon ik dat goed, ook op mijn kinderkoren transponeerde ik nogal eens. Toen Piet Broerse Nico een keer moest begeleiden in de st Jacobskerk belde Piet mij op of hij gebruik mocht maken van de getransporteerde liederen. Ik moest hem teleurstellen, ik had ze niet, transponeerde al spelende.

Vaak moest ik kerkdiensten solisten, hetzij vocaal of instrumentaal begeleiden, ook koren. Repetitie een half uur voor de dienst je raakt zo bekwaam in het begeleiden dat langdurig repeteren niet nodig is. Wel als je iemand voor de eerste keer begeleidt. Het klinkt misschien niet erg bescheiden maar wat begeleiden betreft heb ik bij verschillende koren en solisten een goede naam opgebouwd. Excuus voor deze regel.


Al jaren draai ik ook bij in Zoutelande bij de z.g. marktconcerten op dinsdagavond tijdens het toeristenzeisoen. Ook bij de monumentendagen bespeel ik de orgels van Vrouwenpolder, Gapinge, Veere en Serooskerke.

12 April 1988 werd ik benoemd tot ridder in de orde van Oranje Nassau, geweldige dag. Hier kan ik me met een vluggertje vanaf maken daar er geneog over te vinden is in mijn plakboeken. Ik geloof niet dat er nog veel te sprokkelen valt. Alles is zo'n beetje opgeraapt al zal er misschien nog wel eens iets weggewaaid zijn. De moeite van het vertellen niet waard zullen we dan maar denken.

Schiet me toch nog een leuke gebeurtenis te binnen. Met het bejaardenkoor "Zanglust" uit Vlissingen zongen we in het bejaardentehuis "Nieuw Sandenburg" in Veere. Verschillende mensen uit Vrouwenpolder zijn daar inwonend. Zo ook mijn oud buurvrouw Tannetje de Bruin. Aangkomen aan het gedeelte samenzang zei ik "Dat zal zeker goed gaan want mijn oud buurvrouw Mevr. de Bruin kan geweldig goed zingen, iedere morgen als ze de melkbussen stond te schuren zong ze en hoe." Stem van Vrouw de Bruin "Ja maar ik kan het niet meer hoor." In de pauze ging ik bij haar zitten om wat herinneringen op te halen. Tegen een van de koorleden die er ook bij kwam zitten zei vrouw de Bruin: "Kunnen je nogal met hem opschieten. Hij woonde vroeger naast ons, het was altijd een bijzondere. Hij dee niks as urgele, eele dage urregel en ware 't nou nog mae versjes mae niks as neute altied mae neute." Zo hoor je nog eens wat op je ouwe dag.


Ik vind het altijd heerlijk te zingen in bejaarden tehuizen. De mensen genieten er echt van en dat geeft veel voldoening.

Postludium

Postludium, naspel. Beelden uit het verleden heb ik getracht in woorden te vangen om toch weer tot het heden terug te komen. Herinneringen zijn er veel, ik heb ze zo uit de schrijfmachine geramd. Om eerst een klad te maken had ik geen tijd, tenminste dat verbeeld ik me. Tikfouten evenals kromme zinnen zullen er wel inzitten. Een rijk en werkzaam leven ligt achter ons. Onze lieve Heer kan me veel verwijten, maar niet dat ik niet gewerkt heb. De kinderen zijn zo zachtjes aan middelbaar en de kleinkinderen zijn volwassen of tieners. Op enkele strubbelingen in het huwelijksleven na gaat alles goed met hen. Ik ben trots op mijn kinderen. Ieder probeert op zijn manier zijn of haar weg door het leven te vinden.

Zoal al mijmerend en schrijven zijn je gedachten natuurlijk vaak terug naar je gezin. Dit oefent een grote invloed uit op je doen en laten. Bij mijn werk heb ik getracht zoveel mogelijk de belangen van mijn gezin in het oog te houden. Of het me steeds gelukt is ligt niet aan mij om te beoordelen. In elk beroep en zeker in een vrij beroep is het van groot belang dat je vrouw en het gezin achter je staan. Wat dat betreft heb ik het nooit beter kunnen treffen. Mijn vrouw, begrijpend nooit mopperen als we hadden gerekend op een vrije avond en die niet doorging vanwege een extra repetitie of het zingen in de kerk of een bejaarden tehuis. Soms hele dagen en avonden zat ze alleen, gelukkig leest ze graag en lost cryptogrammen op. Vrije tijd was voor mij een zeldzaam, doch kostbaar begrip. Ik hoop dat ik ondanks mijn schaarse vrije tijd toch wat heb kunnen bijdragen aan de opvoeding van mijn kinderen.

Mijn leven is voor een groot gedeelte gebonden geweest aan een vast schema bepaald door schooltijd, koorrepetities, privè lessen en kerkdiensten. Gelukkig heb ik dit nooit als dwang gevoeld. Op het moment dat ik dit schrijf heb ik nog verschillende verplichtingen. Dirigent van het bejaardenkoor "Zanglust" in Vlissingen. Het bejaardenkoor "Zang houdt Jong" en de gepensioneerden van de Vitrite "De Lampvoetjes", beide in Middelburg. Het koor "Volharding leidt tot het doel" staat ook weer onder mijn leiding. Het ging niet met mijn opvolger dus werd ik na vijf jaar afwezigheid gevraagd terug te komen. Verder heb ik nog een twintigtal leerlingen, ben voorzitter van de commissie eredienst en redactielid van het periodiek van de dorpsraad "De Poepuul". Aan dit alles heb ik veel plezier. Hoogtepunten in mijn loopbaan, ik schreef het reeds waren mijn jubilea als organist. In 1986 werd ik bij koninklijke onderscheiding benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. De burgemeester, toen Mevr. van Montfrans had er een groot feest van gemaakt. Veel belangstelling bij de uitreiking in het stadhuis in Veere. Kinderen, kleinkinderen, vrienden, bekenden, afgevaardigden van diverse kerkeraden, scholen, koren. Het kinderkoor van Vrouwenpolder zong een door meester Izeboed gemaakt lied, "Wie loopt er met zijn pijpje de Dorpsdijk op en neer".


Maart 1991 stierf Lena, 75 jaar oud. Kort ziek geweest. Voor Jaantje een groot verlies. Tweemaal per jaar ging ze er logeren, met Lena's verjaardag en na de zomerdrukte op het postkantoor.

In 1984 nam Jaantje afscheid als kantoor houdster van de P.T.T. Overweldigende belangstelling. Het hele dorp kwam afscheid nemen. Wel een teken dat ze bij de bevolking een goed plaatsje in hun hart had veroverd. Hele huis van onder tot boven onder de bloemen. Arme buurvrouw. De Maandag daarop gingen we met vakantie en buurvrouw nam de zorg voor de bloemen op zich.


17 Oktober 1995 vierden we ons vijftig jarig huwelijksfeest. Heerlijke dag. Gevierd met kinderen, kleinkinderen, verdere familie en natuurlijk de fam. de Boer. Een dag van grote dankbaarheid. In die vijftig jaar zijn er natuurlijk wel spanningen geweest, niet alles ging altijd van een leien dakje, maar samen hebben we alle moeilijkheden overwonnen. Terugziend op die vijftig jaar kunnen we alleen maar dankbaar zijn.


Nu ik dit schrijf ben ik de leeftijd der sterken al gepasseerd. Veel heb ik niet meer tegoed. Het verleden is groter dan de toekomst. Wat kleine ongemakken zijn mijn deel geworden. Longenfyseem, hartritme stoornissen en een schildklier die af en toe eens dwars ligt. Polypen in de blaas een steeds weer terugkerend ongemak. Ik moet leren leven met beperkingen, nu dat lukt wel als ik zie wat ik allemaal nog doe en kan heb ik geen reden tot klagen. Gelukkig ben ik een geboren optimist net als mijn vader. "Optimist tot in je kist" zei een dominee eens.


Componeren doe ik zo nu en dan ook nog eens voor mijn plezier. Verschillende werken zijn ook uitgegeven. Ik loop er niet mee te leuren, geven ze het uit is het goed, zoniet ook best. Ik heb er mijn plezier van.


Het leven gaat snel hoort men nogal eens, ook bij jonge mensen. Het lijkt wel of alles steeds sneller gaat. De schilder Kadinsky schreef midden jarig twintig al: "Sedert 1914 lijkt de tijd steeds sneller te verstrijken. De innerlijke spanningen verhogen het tempo op alle levensgebieden. Tegenwoordig staat een enkel jaar gelijk met tenminste tien jaar in een normale rustige periode in de geschiedenis."


Hoeveel jaar ik nog tegoed heb weet ik niet. Gelukkig maar. Wel is het zo dat de eindstreep steeds dichter bijkomt. Gelukkig kan ik terugzien op een welbesteed leven. Een fijn gezin met een lieve vrouw, schatten van kinderen en kleinkinderen. Ik heb totaal geen behoefte mijn leven over te doen. Ik ben een gelukkig mens. Is eenmaal mijn tijd gekomen hoop ik mijn hoofd rustig te kunnen neerleggen. Wat mijn ondeugden betreft denk ik altijd maar "God schiep de mens naar zijn beeld en gelijkenis". Ben ik dus wel eens ondeugend geweest zal God ook wel eens ondeugend zijn geweest. De tijd gaat dringen, het verleden is lang, de toekomst kort. In een gedicht heb ik het eens zo verwoord:

Postlude

In 't begin ligt reeds het eind besloten
De klok tikt ieder seconde van mijn leven af.
Hoeveel zijn 't er al?
Hoeveel zal het nog worden?
Wij wachten af en werken steeds maar door
Naar 't einde toe.
D'ontwikkeling gaat door, de ontbinding is reeds begonnen.
Van kind tot man, tot ouwe heer.......en dan staat het stil.....
De klok tikt door ik ben niet meer.

Gelukkig zit het karwei er op. Overlezen doe ik het niet meer. Dan kom ik misschien tot de ontdekking dat ik toch verschillende dingen vergeten ben of andere dingen niet genoeg belicht en opnieuw beginnen wil ik beslist niet meer. Ook tikfouten en kromme zinnen laat ik stilletjes staan. Men neme ze voor lief.

Vrouwenpolder, November 1995-Augustus 1996